|

|
Interviews 2005
met (inter) nationale artiesten
In de reeks van "Interview
met" heeft het
Salsa Info team bestaande uit
Otto & Kati van Helden (Lago Latino),
André Lambeck
& Caroline Bergwerf
(Salsa Info) diverse nationale en
internationale artiesten geinterviewd.
|
|
 |
Sierra Maestra (Cuba)
Wanneer: 29 oktober 2005 | Waar: La Vida, Tilburg | Tekst: Otto & Caroline | Fotografie Kati van Helden |
|
| |
 |
| Wie: - Eduardo Himely, 1954,
Havana (directeur, bas)- José Antonio Rodriguez, 1953, Holguín
(vocalist, gitaar)- Alejandro Suarez, 1955, Havana (bongocero)-
Carlos Puisseaux, 1954, Guantanamo (güiro en handpercussie) |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
| |
| |
|
"
Muzikale revolutie"
Op een continent vol generalísimo's, junta's
en guerillero's mag een groepje muzikale rebellen niet ontbreken.
Rebellen die zich afzetten tegen een gevestigde orde. Meestal eisen
rebellen vernieuwing. In dit geval was eerder het tegenovergestelde
het geval. Het was een appél aan tradities als reactie op
de muzikale vernieuwingsdrift die destijds hoogtij vierde. Dat destijds
waren de jaren zeventig in Cuba. Een periode waarin instrumenten
zoals de elektrische bas en de synthesizer op grote schaal hun intrede
in de Cubaanse muziek deden. De toen opgroeiende generatie zette
alle bestaande conventies op hun kop.
Een groep studenten wilde
ook muziek maken maar niet met deze stroom meedrijven. Wat zij wilden
brengen moest totaal anders klinken. Ze besloten terug te grijpen
op de instrumenten en muziek van hun grootvaders, de muziek van
de septeto's uit de jaren dertig. Het was in die tijd zeer gedurfd
om tegenover jouw medestudenten te stellen dat een tres en akoestische
bas minstens zo cool zijn als welke slag- of basgitaar dan ook.
Ten lange leste heeft hun volharding een complete revival van deze
in onbruik geraakte instrumenten en muziek teweeggebracht. Het absolute
hoogtepunt van die revival is natuurlijk het succes van de Buena
Vista Social Club. Het is niet verwonderlijk dat de heren van Sierra
Maestra - want daar hebben wij het over - ook met dat project het
nodige van doen hebben gehad. Nu heet het, dat buideldieren
zoals kangoeroes twee keer worden geboren. De eerste keer is vanzelfsprekend
de natuurlijke geboorte. Het diertje komt echter niet zoals anderen
stoer op eigen benen in de natuur te staan, maar nestelt zich veilig
in moeders buidel. De tweede geboorte is het moment waarop die kleine
kangoeroes voldoende moed hebben om die warme buidel te verlaten
en dan toch op eigen benen gaan staan. Het verhaal rond de oprichting
van Sierra Maestra is als het verhaal over de geboorte van zo´n
kangoeroebaby. Voor wie er naar vraagt,
wordt als oprichtingsdatum van het orkest 20 oktober 1976 aangegeven.
Maar eigenlijk is deze datum een slag in de lucht. Niemand kan zich
meer de precieze datum van de eerste repetitie herinneren. Het enige
dat zij nog weten, is dat het ergens rond die 20ste oktober moet
zijn geweest. Die datum is op Cuba namelijk el Día de Cultura
Nacional, een feestdag waarop bijvoorbeeld het samen musiceren wordt
gepromoot. De vriendenkring waaruit het latere Sierra Maestra is
voortgekomen moet ergens rond die datum bevlogen aan de slag zijn
gegaan.
De moederbuidel voor deze muzikale kangoeroebaby was de universiteit
waar zij in een beschermde omgeving konden optreden. Maar de datum
waarop deze kangoeroebaby uit deze veilige buidel is gefloept en
door salsaland is gaan hoppen, kunnen de heren zich herinneren als
de dag van gisteren. Dat was maanden later. Op 26 december 1976
legden zij namelijk voor het eerst contact met hun grote voorbeeld,
het Septeto Nacional de Ignacio Piñeiro. Van alle sexteto's en septeto's
die er zijn geweest, werd dit orkest door hen als het meest representatieve
voor het genre beschouwd. Het klikte, en met name Rafael Ortiz en
Lazaro Herrera, zanger/gitarist, respectievelijk trompettist van
dit Septeto Nacional, ontfermden zich over hun adepten en onderwezen
hen in de technieken en tradities. Zij werden hun belangrijkste
leermeesters en de heren van Sierra Maestra zijn hier machtig trots
op. De vriendenkring bestond uit een groepje studenten dat in Havana
voor het merendeel studeerde voor ingenieur. Slechts enkelen van
hen, Jesús Alemañy en Eduardo Himely, studeerden muziek
aan het prestigieuze Amadeo Roldán. Sommigen van hen, zoals
Juan de Marcos González en Eduardo Himely kenden elkaar al
van kinds af aan. Als zoveel jongens in die tijd hadden zij zichzelf
in een instrument bekwaamd en omdat in het kader van hun culturele
vorming het maken van muziek werd gestimuleerd, hadden de meesten
van hen al in orkestjes in de buurt of op school gespeeld.
In muzikaal opzicht hadden
deze de meest uiteenlopende achtergronden. Zo speelde bijvoorbeeld
Juan de Marcos González in een rockband en José Antonio
Rodríguez in een orkest dat zich toelegde op bolero's. De
vrienden hebben heel wat afgepraat over hoe hun orkestje moest gaan
klinken. Het moest kwaliteit hebben, dat stond voorop. Ook moest
het duidelijk anders zijn dan wat de anderen deden. Op Cuba was
er in die tijd veel aandacht voor stromingen als feelin en nueva
trova. Tradities werden losgelaten omwille van het experiment. Maar
hoe konden zij in dit klimaat anders dan anderen zijn? In de VS
beleefde de salsa haar hoogtepunt, maar dit was niet direct datgene
waar de heren aan dachten. In diezelfde periode ging er ook veel
invloed uit van Braziliaanse muziek. Dit was niet aan Cuba voorbij
gegaan. Uiteindelijk vatten zij daarom het plan op om samba te gaan
spelen. Volgende stap was het krijgen van de benodigde instrumenten.
Veel keuze was er niet. Op Cuba kom je dan al gauw uit op een set
met claves, maraca's, bongó, tres enz. Maar ja, hoe ga je samba
spelen met deze set instrumenten? Het was de vader van Juan de Marcos
die de jongens overtuigde dat wanneer je zo'n set traditionele instrumenten
bij elkaar hebt, je eigenlijk alleen traditionele Cubaanse muziek
kunt spelen. Juan de Marcos' vader was
indertijd sonero geweest. Hij hield van die traditionele muziek
en wilde de jongens daar warm voor maken. Het leek hen allemaal
verschrikkelijk oubollig en het hele idee sprak ze dan ook voor
geen meter aan. Toch had zich door toedoen van de vader van Juan
de Marcos een idee genesteld. Na rijp beraad zijn zij inderdaad
voor het idee van de traditionele muziek gegaan. Met het Septeto
Nacional de Ignacio Piñeiro als het grote voorbeeld, gingen
zij 10 man sterk aan de slag. Om die reden noemden zij zich heel
bewust "Grupo" en niet "Septeto". Het zat 'm
alleen in het aantal en niet in de stijl of de wijze waarop de muziek
werd gespeeld. De nummers "Dónde estabas anoche"
en "Bururu barara", beiden klassiekers van Inacio Piñeiro,
werden noot voor noot gekopieerd. Ze hadden ruim twee maanden nodig
om alleen deze twee nummers onder de knie te krijgen. De muziek
van Septeto Nacional was tot dat moment zo'n beetje het exclusieve
domein van de oudste generatie. Het had geen enkel appél
op jongere generaties. Die waren volledig in de ban van het verkennen
van de nieuwe mogelijkheden die allerlei elektrische instrumenten
de Cubaanse muziek hadden gebracht. Wie er bij wilde horen, moest
hieraan meedoen en niet op de proppen komen met muziek uit lang
vervlogen tijden. Maar Sierra Maestra bleek een succesformule. Een
instrument als de tres beleefde door Juan de Marcos een soort revival.
De jeugd kreeg weer belangstelling voor dit instrument. Hetzelfde
geldt voor Eduardo Himeley met zijn akoestische bas. Een imposant
instrument dat toendertijd hooguit nog in kleine jazzcombo's werd
gebruikt. Het dreigde overal te worden vervangen door de handzamere
en minder nauw luisterende elektrische bas. De bijdrage van Sierra
Maestra schuilt dan ook daarin, dat zij lieten zien dat het als
jongere best wel cool kon zijn om met deze ouderwetse instrumenten
op het podium te staan. De ommezwaai die zij veroorzaakten was revolutionair.
Maar de omwenteling kwam natuurlijk niet van de ene dag op de andere.
Pas vijf jaar na hun oprichting, in 1981, konden zij hun eerste
elpee uitbrengen. Dit album kreeg de passende
titel "Sierra Maestra llegó (con el guanajo relleno)"
(Areito LD-3940). Eerst met dit album konden zij een breed publiek
bereiken. Inmiddels is het jeugdige van Sierra Maestra er een beetje
af geraakt. Gerijpt in de tijd, zijn het nu grijzende heren van
middelbare leeftijd geworden. Waren zij zelf in het begin niet meer
dan een kopie van hun voorbeeld, geleidelijk aan is dit losgelaten
en is het orkest een eigen artistieke koers gaan varen. Als zeevaarders
uit de Gouden Eeuw zijn zij nu al dertig jaar bezig de mogelijkheden
van het vertrouwde septeto-concept te verkennen. Met name eind jaren
tachtig, begin jaren negentig, is Sierra Maestra de strakke teugels
van deze septetostijl gaan vieren. Zij wilden ook andere stijlen
beproeven die binnen het bereik van hun orkest lagen. Er werd geëxperimenteerd,
zowel met oude in onbruik geraakte instrumenten als met moderne
instrumenten. Vervolgens doken er opnamen op met een marimbula (duimpiano)
en de botija (kruik die, door erin te blazen, als bas wordt gebruikt),
en in een nummer als bijvoorbeeld "La tintorera ya llegó"
figureerde een elektrische gitaar. Door de jaren met allerlei veranderingen
en personeelswisselingen heen is het geluid van Sierra Maestra vrijwel
hetzelfde gebleven.
Volgens de heren komt dit, doordat Sierra Maestra niet is gebouwd
rond één specifieke artiest. Sierra Maestra is een
collectief gebeuren waarbij de één de ander aanvult.
Het uiteindelijke geluid van Sierra Maestra, hun "sonoridad",
wordt in hoge mate bepaald door de arrangementen. Deze arrangementen
zijn volgens hen eigenlijk het resultaat van de synergie binnen
de groep. Het zijn collectieve ideeën die tijdens repetities
spontaan opborrelen. Wanneer iemand afhaakt,
blijft de ketting grotendeels in tact en wordt het werk gewoon voortgezet
met hier en daar een vervangen schakel. Het vertrek van bijvoorbeeld
Juan de Marcos González en Jesús Alemañy had
daarom minder impact op de achterblijvers dan het lijkt. En wat
betreft de arrangementen? Uiteraard zal één van hen
het eindresultaat van de collectieve inbreng moeten opschrijven
en uitwerken. Bij de oudere albums duiken in dat verband vrij frequent
de namen op van Juan de Marcos González en Jesús Alemañy.
Op de laatste albums zien wij steeds vaker Eduardo Himely als arrangeur
vermeld staan en inderdaad ook wel eens de groep als geheel. Tegenwoordig
bestaat Sierra Maestra uit 9 man. De naam van de groep verwijst
naar de streek waar de hoofdschotel van hun repertoire, de son,
oorspronkelijk is ontstaan: het Sierra Maestra gebergte in Oriente.
Nadat deze muziek zich over het hele eiland is gaan verspreiden,
ontstonden regionale varianten met specifieke kenmerken. Nu komen de leden van Sierra
Maestra uit verschillende provincies. Deze gemêleerde samenstelling
van Sierra Maestra maakt dat hun muziek niet aan een specifieke
streek of stijl gebonden is. Ze omschrijven het als een neutrale
mix. Trots meldden de heren tijdens het interview dat de groep nog
zes leden van de oorspronkelijke bezetting telde. Amper een week
na het gesprek komt daar op dramatische wijze verandering in. In
Kopenhagen (Denemarken) kreeg zanger José Antonio Rodriguez
een uur na het afsluiten van het laatste optreden in het kader van
dit Europese tournee een hevige astma-aanval gevolgd door een hartaanval.
Hij werd direct opgenomen in een ziekenhuis maar daar werd een tweede
hartaanval hem fataal. José Antonio Rodríguez was
klein van stuk maar zijn stem was groot. Hij gaf een bijzonder timbre
aan de opnames van de groep. Het zal daarom niet eenvoudig zijn
een waardige vervanger te vinden voor deze schakel in de Sierra
Maestra-ketting. |
| |
|
|
Voor
de fijnproever: roddel over de Buena Vista Social Club
Wie de lijst afvinkt van
muzikanten die hun medewerking hebben verleend aan het zo beroemd
geworden album van de "Buena Vista Social Club" in 1996
(World Circuit Records WCD 050) komt nogal wat namen tegen van leden
van Sierra Maestra. Niet verwonderlijk zou je zeggen, gezien de
rol van Juan de Marcos González in het hele project. Diezelfde
Juan de Marcos González was immers op datzelfde moment ook
verbonden aan Sierra Maestra.
Aanvankelijk was het vooral Ry Cooder die met de eer ging strijken
van de "ontdekking" van deze oude in vergetelheid geraakte
kopstukken uit de Cubaanse muziekgeschiedenis. Langzaam sijpelde
echter door dat het hele idee en de research niet van hem maar van
Juan de Marcos González afkomstig zou zijn. Deze Juan de
Marcos zou van Nick Gold, de man achter Word Circuit Records, ruimte
hebben gekregen voor verwezenlijking van een lang gekoesterde wens
om met deze bejaarde kopstukken nog één keer een album
op te nemen met traditionele sonmuziek. Wat je er verder over moge
denken, de impact van het wereldwijde succes van de Buena Vista
Social Club (BVSC) is enorm geweest. Nu, bijna tien jaar na dato,
proberen nog steeds allerlei promotors en artiesten een relatie
te leggen met de BVSC om zo nog een graantje mee te kunnen pikken.
Hoe gekunstelder de poging, hoe bedroevender het wordt. Ondertussen
begint Europa aardig uitgekeken te raken op deze uitgekauwde formule.
Maar als er één groep is, die zich op een relatie
met die BVSC zou mogen laten voorstaan dan is het wel Sierra Maestra.
Het is echter ronduit opvallend hoe onverschillig Sierra Maestra
met deze zilveren koorde omgaat. Toch maakt juist dit ons nieuwsgierig
naar hoe binnen dit gezelschap tegen die BVSC wordt aangekeken.
Laconiek vertelt Eduardo Himely dat de oorsprong van het idee noch
bij Ry Cooder noch bij Juan de Marcos González moet worden
gezocht. Volgens hem is Sierra Maestra de Genesis van het verhaal. Het hele concept van Sierra
Maestra komt min of meer overeen met dat voor de BVSC. Eigenlijk
was Sierra Maestra van het begin af aan in de weer met oudere in
vergetelheid geraakte artiesten. Zo hebben zij lang voor het uitkomen
van het BVSC-album opgetreden met Omara Portuondo, Tito Gómez
en Joseíto Fernández (n.b. het laatste optreden van
Joseíto Fernández voor de Cubaanse televisie was met
Sierra Maestra). Ook hebben zij opgetreden Celeste Mendoza en samen
met haar een album gemaakt.
Het idee van Juan de Marcos, dat ten grondslag lag aan het BVSC-album,
was dan ook geen nieuw idee. Het was dus iets waar ze binnen Sierra
Maestra al langer mee aan het experimenteren waren. Eigenlijk ziet
Eduardo, vanwege de stijl en het geluid, in het album "¡Dundunbanza!"
(World Circuit Records WCD 041, 1994) een soort blauwdruk van het
latere album van de BVSC. Volgens hem was het Jesús Alemañy
die het idee met Nick Gold, de producer van het latere album, zou
hebben besproken. Jesús Alemañy verliet echter de
groep. Juan de Marcos besprak het opnieuw en ging er vervolgens
mee aan de slag. Hij deed dat heel diplomatiek door zoveel mogelijk
mensen van Sierra Maestra in het project te betrekken (met name
de eerste twee albums "Buena Vista Social Club" en "Introducing
Rubén González"). Het ligt daarom binnen de groep
allemaal niet zo scherp en bewust laten zij in het midden aan wie
als persoon de eer mag toekomen. Het succes van het album
heeft wat Eduardo Himely betreft niet zozeer met hun eigen bijdrage
te maken als wel met andere omstandigheden. Zo vindt Eduardo dat
Cuba zelf een steekje heeft laten vallen. Alle grote namen uit het
verleden stonden tot in de jaren tachtig onder contract van Egrem.
Die heeft met deze unieke situatie weinig of niets in deze richting
gedaan. Een positieve uitzondering vormt wellicht het project uit
1979 rond de Estrellas de Areíto. Bij dit project springt
een ingenieus samenspel tussen verschillende "generaties"
artiesten in het oog. Enerzijds is er de oude garde die zijn hoogtepunt
beleefde in de "gouden" jaren veertig en vijftig. Anderzijds
hoor je een jongere generatie die in deze jaren zeventig zijn artistieke
hoogtepunt beleefde. Maar waar de BVSC duidelijk teruggreep op een
bestaand concept, wilde men met dit project juist het tegenovergestelde:
men wilde bestaande concepten loslaten. Met dit project was het
de bedoeling elementen van verschillende traditionele orkestraties
te combineren om zo een geheel nieuwe eenheid te creëren. Opmerkelijk
genoeg kwam dit project niet uit eigen (Cubaanse) koker maar werd
geïnitieerd door Raoul Diomande, een toendertijd in Parijs
woonachtige muziek-producer uit het Afrikaanse Ivoorkust. Wellicht
is juist daardoor aan deze werkelijk prachtige opnamen in Cuba nauwelijks
aandacht geschonken. Niet geheel toevallig is het opnieuw datzelfde
World Circuit Records dat in 1998 een imponerende compilatie van
deze opnamen op de markt brengt (Estrellas de Areíto: "Los
héroes" WCD 052).
Maar terug naar het verhaal van Eduardo Himely. Hij constateert
dat er sindsdien veel verloren is gegaan. Ten tijde van het maken
van het BVSC-album was het bos door natuurlijk verloop reeds aardig
uitgedund. Hierdoor zijn vele grote namen buiten beeld gebleven.
Dan wijst hij op het feit dat het album is geproduceerd door een
Europees platenlabel. Westerse platenlabels hebben volgens hem minder
moeite met het internationaal distribueren van hun producten dan
een Cubaans label. Artiesten die door zo'n label worden geholpen,
komen daarom beter weg dan de artiesten die aan een Cubaans label
zijn verbonden. Maar al te zeer beseft Eduardo dat dit niet zaligmakend
is. Cubaanse muziek wordt binnen de muziekindustrie ingedeeld in
een genre dat gemakshalve wordt aangeduid met "wereldmuziek".
Maar wereldmuziek blijft wereldmuziek; iets dat in werkelijkheid
veel minder commerciële potentie heeft dan de groots klinkende
naam doet vermoeden. De impact van populaire westerse muziek is
commercieel gezien oneindig veel groter. Natuurlijk hebben de WOMAD-festivals
bijgedragen aan een betere marketing van het genre. Toch blijft
dat WOMAD een soort paardenmarkt met duizenden zeer getalenteerde
artiesten uit alle windstreken die aandacht proberen te trekken.
Soms wanhopig, want als overal regeert ook binnen dit kleine marktsegment
een kleine groep smaakmakers. De grote bazen overzien het aanbod
en verdelen elk jaar opnieuw de koek. Succes hangt daarom van heel
andere factoren af dan alleen het hebben van kwaliteit, een contract
met een groot platenlabel of lekker wat geld voor promotie. Lobby
bepaalt in belangrijke mate wie het een komend seizoen gaat maken.
Het is hier dat Ry Cooder in beeld komt. Volgens Eduardo Himely
moet zijn rol binnen dit hele marketingcircus niet worden onderschat.
Een album volgens zelfde formule en met dezelfde kwaliteit zou zonder
Ry Cooder lang niet dezelfde impact hebben gehad. |
| |
|
|
| © copyright
- latinartiesten.nl 2003 |
|
|