|

|
Interviews 2004
met (inter) nationale artiesten
In de reeks van "Interview
met" heeft het
Salsa Info team bestaande uit
Otto & Kati van Helden (Lago Latino),
André Lambeck
& Caroline Bergwerf
(Salsa Info) diverse nationale en
internationale artiesten geinterviewd.
|
|
 |
Pio Leiva (Cuba) - Musica Cubana - Sons of Buena Vista
Wanneer: 21 oktober 2004 | Waar: Novotel, Amsterdam | Tekst: Otto & Caroline | Fotografie Kati van Helden |
|
| |
|
"Over
montuno's met sabor"
Zijn aanwezigheid
bij de Nederlandse première van "Musica Cubana"
bood mij opnieuw gelegenheid voor een gesprek met Pio Leiva. Plaats
van ontmoeting was het restaurant van een groot Amsterdams hotel.
Als een Joris Driepinter op leeftijd trof ik hem aan: met een sigaar
in de hand starend naar een glas Hollandse melk. Maar meer nog dan
die melk, smaakte hem de bijbehorende boter. Bij wijze van rode
draad in ons gesprek kwam hij er die middag steeds weer op terug.
Mijn komst bracht leven in de brouwerij.
Spoedig
trok Pio alle aandacht naar zich toe. Al zingend, neuriënd,
trommelend en gesticulerend voerde hij het hoogste woord. Een gouden
Virgen del Cobre van kloek formaat bungelde vrolijk om zijn nek.
Deze schutpatrones van Cuba luisterde aandachtig mee. Kortom, Pio
zat op zijn praatstoel. In de film verhaalt Pio over de armoede
in zijn jeugd, zijn gescheiden ouders en dat zijn moeder de kost
verdiende als dienstbode bij rijkere families. Zij nam overgebleven
kliekjes mee waar het gezin dan van moest eten. Terugkijkend vermoedt
Pio dat zij om haar kinderen meer te kunnen geven zichzelf regelmatig
heeft overgeslagen. Zij moet de nodige honger hebben geleden. Het spreekt voor zich dat
in dit milieu geen ruimte was voor luxe zoals muzikale scholing
aan een conservatorium. Wanneer je er aanleg voor toonde, leerde
je het van een familielid of van de straat. Alles ging op het gehoor
en uit het hoofd. Noten lezen of schrijven was er niet bij. Alle
liedjes en composities moest je gewoon onthouden en om ze aan anderen
over te brengen moest je ze voorzingen of -spelen. Hij bleek een
natuurtalent te zijn en de teksten en melodieën borrelden als
vanzelf bij hem op.
Verder dan ze zingen en neuriën kwam hij niet; het was aan
anderen om ze op te tekenen.
Hij speelt ook geen instrument. Lang geleden heeft hij een blauwe
maandag geprobeerd gitaar te spelen maar deze werd al snel terzijde
gelegd. Pratend over de jaren vijftig, de periode dat hij zijn geluk
in Havana beproefde, had elke artiest zijn specialiteit. Er was een Guillermo Portabales
met zijn "guajiras de salon", een Celia Cruz die zich
profileerde als "guarachera", een Leo Marini die zich
onderscheidde als "bolerista", een Rolando Laserie die
zich afficheerde als "El Rey del Guapachá" en een
Mariano Mercerón die uit de analen bekend is geworden als
"el Emperador del Danzón". Zomaar een handvol namen
waaraan nog talloze andere kunnen worden toegevoegd. Maar wat aan
dit palet ontbrak, was een "montunero", iemand die zich
met montuno´s van anderen wist te onderscheiden.
En Pio zorgde dat hij zich onderscheidde. Zoals hij ze met de big
bands van toen vertolkte, zijn ze vandaag de dag niet meer te horen.
Het maakte dat hij "El Montunero de Cuba" werd genoemd.
Hij regelde zijn eigen repertoire. Wie kent niet zijn "Francisco
Guayabal", al is het maar in een uitvoering van Beny Moré,
Compay Sergundo of Oscar d'León? Liefhebbers van de muziek
van Roberto Torres en zijn SAR-label zijn natuurlijk bekend met
nummers als "Sin caña y sin platanal", "Sibanicú",
"El pregón de la montaña" en "La alegría
del montuno". Het zijn allemaal nummers van Pio's hand en zonder
uitzondering montuno's. Het pakkende wijsje en refrein van "Francisco
Guayabal" maakt dat dit liedje nog lang in jouw hoofd blijft
nagalmen. Je gaat er over nadenken en als vanzelf wil je op een
gegeven moment weten wie die "Francisco Guayabal" nu eigenlijk
was.
Dikke handboeken over Cubaanse muziek boden weinig uitkomst en van
lieverlee ben ik gaan rondvragen. Maar elk antwoord dat ik kreeg,
leverde weer een nieuwe verklaring op. Zo zou het een legendarische
troubadour zijn geweest uit een grijs muzikaal verleden. Ook is
mij voorgehouden dat het de naam is van een volksheld annex vrijheidsstrijder. Van weer een ander kreeg
ik te horen dat die Francisco niets met muziek te maken zou hebben
maar een kennis zou zijn van Beny Moré uit de kustplaats
Guayabal. Het ene verhaal klinkt nog mooier en aannemelijker dan
het ander. Maar wat is nu het ware verhaal? Die middag greep ik
m´n kans. Het ultieme verhaal moest komen uit de mond van
de man die naast mij zat. Op alle platenhoezen prijkt immers zijn
naam als auteur van dit liedje. Welnu. Volgens hem is onze "Francisco"
niet anders dan de naam van een "central azucarera", een
soort fabriek waar suikerriet wordt geperst. Het bedrijfje staat
in Guayabal, een kustplaats in Las Tunas. Pio's explicatie van de
tekst heeft een hoog "meisjes van Verkade"-gehalte; hij
heeft niets anders willen doen dan het bezingen van de welgevormde
dansgrage dames die daar werkten. Maar hoe goed door hem ook bedoeld,
ik kan niet verhullen dat Pio´s verhaal voor mij toch wel
een deceptie was. Daarentegen was Pio´s verhaal over het ontstaan
van het lied des te interessanter. Het dateert namelijk uit
de jaren dertig. Ooit, tijdens een optreden in die streek, ontmoette
Pio een tresero die een deuntje speelde waarop eindeloos de woorden
"Francisco Guayabal" werden herhaald. Pio greep in: rijmde
een tekst en voegde er wat "armonía" en "melodía"
aan toe. Lange tijd later was het Bebo Valdés die er als
eerste een arrangement voor schreef. Dit late tijdstip is niet zo
verwonderlijk want het arrangeren van muziek is volgens Pio vooral
in de jaren vijftig in zwang gekomen. Het is overgenomen van de
grote Amerikaanse jazzorkesten die in die jaren in de Cubaanse casino´s
speelden. Op 1 augustus 1957 werd het nummer opgenomen door niemand
minder dan Beny Moré. Later, na de dood van Beny Moré,
kreeg Pio zelf de gelegenheid om met dat orkest te zingen. Helaas
zijn daar geen opnamen van bewaard gebleven. De naam van de tresero
die het oorspronkelijke deuntje speelde, is natuurlijk allang vergeten
en het is Pio die zichzelf beschouwt als de auteur van "Francisco
Guayabal". Hij wijst erop dat dit
in die dagen niet ongewoon was. Zo moet indertijd ook het overbekende
"Guajira Guantanamera" zijn ontstaan. Naar wordt aangenomen
zou het een volkswijsje zijn geweest dat door de barrio's van Havana
de ronde deed totdat het door Joseíto Fernández werd
opgepakt en uitgewerkt tot de melodie die wij nu kennen. Ook hij
ervaart dat de montuno aan populariteit heeft ingeboet. Je hoort
ze haast niet meer en wanneer ze worden gespeeld, dan missen zij
de "sabor" van vroeger.
De echte montuno´s zijn wat Pio betreft die van het legendarische
Sexteto, later Septeto Nacional van Ignacio Piñeiro. Dit
orkest produceerde eind jaren twintig tal van opnamen in dat genre.
Later, in de jaren vijftig, werden de montuno's opnieuw populair.
Met grote dansorkesten en met mambo's, guaracha's en montuno's beleefde
de Cubaanse muziekindustrie in die jaren haar gouden periode. Daarna
was het over. Even was er eind jaren
zeventig een opleving met de Estrellas de Areíto, maar het
is in Pio's ogen bij die ene opleving gebleven. De oorzaak van het
verdwijnen hangt volgens hem samen met de opkomst van Elvis Presley
en de veranderingen die de Amerikaanse popmuziek ook op Cuba teweeg
hebben gebracht. Maar er was die
dagen meer aan de hand dan alleen de opkomst van een heupwiegend
popidool. Het was een periode van grote politieke, economische en
maatschappelijke veranderingen.
Gegroeide misstanden op Cuba culmineerden in een revolutie. In het
Nieuwe Cuba van Fidel Castro was geen plaats voor uitspattingen
behorend bij een decadent westers leven. Van de ene op de andere
dag werden casino's gesloten en was op Cuba geen emplooi meer voor
grote dansorkesten. Mambo spelende big bands waren passé.
Het westen beleefde in die zelfde periode een maatschappelijke revolutie. Met
minder wapengekletter was het een minstens zo turbulente periode
met strijd voor gelijke burgerrechten, studentenverzet en allerlei
emancipatoire bewegingen.
Een nieuw tijdperk brak aan en muziek was daarvan de boodschapper.
En in weerwil van de door politbureaus uitgezette koers die Cuba
moest gaan varen, waren de muzikale ontwikkelingen in het westen
ontegenzeggelijk van invloed op de ontwikkelingen op Cuba. Het sluiten
van de casino's staat symbool voor het sluiten van het tijdperk
van de mambo's. Maar volgens Pio verdwenen er dus meer dinosaurussen,
waaronder de montuno's met sabor. |
|
| © copyright
- latinartiesten.nl 2003 |
|
|