|

|
Interviews 2004
met (inter) nationale artiesten
In de reeks van "Interview
met" heeft het
Salsa Info team bestaande uit
Otto & Kati van Helden (Lago Latino),
André Lambeck
& Caroline Bergwerf
(Salsa Info) diverse nationale en
internationale artiesten geinterviewd.
|
|
 |
Pio Leiva (Cuba) - Musica Cubana - Sons of Buena Vista
Wanneer: 16 & 17 juli 2004 | Waar: Docklands, Amsterdam | Tekst: Otto & Caroline | Fotografie Kati van Helden |
|
| |
|
"Musica
Cubana - Sons of Buena Vista"
Het is al weer
acht jaar geleden dat de wereld kennis maakte met een innemend muziekgezelschap
onder de naam "Buena Vista Social Club". Een groep met
voor velen onbekende heren van respectabele leeftijd en die ons
op verpletterende wijze liet kennismaken met de prachtige muziek
uit hun jeugdjaren. De subtiliteit en vitaliteit van hun muziek
maakten diepe indruk. Het succesalbum kreeg een visuele dimensie
door het portret dat cineast Wim Wenders in 1998 van het curieuze
gezelschap schilderde.
In
filmzalen werden de gegroefde gezichten meters groot geprojecteerd.
De rimpels en andere ouderdomskwalen onderstreepten nog eens extra
de doorleefdheid van de muziek. In dit indringende filmdocument
leek het alsof ouderdom op een artiest als Compay Segundo geen vat
kon krijgen. De muziek leek op de heren een heilzame werking te
hebben en de fysieke grenzen van het ouder worden te verleggen.
Dit is niet het idee dat bij de persoonlijke ontmoeting met en het
optreden van Pio Leiva is blijven hangen. Het is duidelijk een man
op leeftijd met de beperkingen die daarbij horen. Geduldig laat hij zich
alle aandacht welgevallen en blijft rustig onder alle drukte om
hem heen. Maar hij is ook ijdel genoeg om van dit alles om hem heen
intens te genieten. In zijn optreden is hij sympathiek, maar fysiek
is hij inmiddels fragiel, broos en breekbaar geworden. Het maakt
zijn optreden des te indrukwekkender en niet gauw zal iemand hem
dat na kunnen doen.
Als gevolg van hun succes met de Buena Vista Social Club werd de
aandacht eerst gefocust op de piano van Rubén González.
Ibrahim Ferrer en Omara Portuondo deden het ook goed bij het publiek.
Onder de vlag van de Buena Vista Social Club mochten ook zij soloalbums
met een romantisch repertoire uitbrengen. Het is op deze albums
dat duetten te horen zijn met een andere opvallend krachtige stem
uit het verleden. Een stem die niet was te horen op het oorspronkelijke
Buena Vista Social Club-album. Het blijkt de stem van de inmiddels
87 jaar oude Pio Leiva, ook bekend als el Montunero de Cuba. Al eerder, in 1979, was
hij als één van de grote artiesten uit het verleden
van stal gehaald voor een persoonlijke bijdrage aan de monumentale
opnamen van de Estrellas de Areito. Tenslotte was hij met speciale
vermelding van zijn toen al hoge leeftijd ook te horen op het derde
album van de reeks albums die David Byrne heeft uitgebracht op zijn
Luaca Bop-label over Cubaanse muziek (Cuba Classics 3, Diablo al
infierno, 1992). Pio blijkt te zijn geboren in 1917 in Morón
(Camagüey). Zoals de meesten van zijn generatie is hij een
natuurtalent. Zonder enige vorm van muzikale scholing weet hij al
op jeugdige leeftijd met zangtalent en improvisaties de aandacht
naar zich toe te trekken.
Op enig moment gaat hij in een lokaal orkest percussie spelen en
komt uiteindelijk achter de microfoon te staan. Niet zonder succes
en in 1950 trekt hij naar Havana om een graantje mee te pikken in
het daar als nooit te voren bloeiende uitgaansleven. Er opereerden talloze grote
orkesten die de vele chique nachtclubs, cabaretten en casino's cachet
moesten geven. Het waren weliswaar gouden tijden voor de Cubaanse
muziekindustrie, maar tussen de orkesten onderling heerste een moordende
concurrentie. Nieuwkomers moesten van goede huize komen, wilden
zij in deze slangenkuil een plaats verwerven. Wat dat betreft had
Havana een reputatie opgebouwd en de stap die Pio wou zetten, was
geen gemakkelijke.
Wanneer ik Pio vraag naar een gebeurtenis die op hem een diepe indruk
heeft achtergelaten, blijkt dat zijn aankomst in en kennismaking
met Havana te zijn. Alles wat daarna is gebeurd, heeft te maken
met hoe hij daar als mannetje uit de provincie zijn weg heeft weten
te vinden. Beny Moré zou uiteindelijk twee van zijn liedjes
opnemen: het inmiddels een ever green geworden "Francisco Guayabal"
en "Mulata con Cola". Zelf zou hij binnen de
kortste keren achter de microfoon van Radio Progreso staan en aansluiting
vinden bij onder meer het orkest van Obdulio Morales en het Conjunto
Caney. Toen hij het thuisfront over dit alles berichtte, werd hij
niet geloofd en vonden ze hem een opschepper. Het was Miguel Ojeda
die dit ongeloof muzikaal vereeuwigde in het humoristische liedje
"Pio Mentiroso" (die leugenachtige Pio). Het gaf hem een
bijnaam die hij tot op de dag van vandaag moet dragen. Niettemin
zou Pio niet Pio zijn of hij had zijn muzikale antwoord klaar om
met deze aantijging af te rekenen: "Carinoso si, mentiroso
no" (hartelijk ja, leugenachtig nee). In muzikaal opzicht gaan
Pio's beste herinneringen uit naar zijn tijd met Orquesta Sabor
de Cuba onder leiding van Bebo Valdés, de vader van Chucho
Valdés. Met deze big band maakte hij in de jaren vijftig
vele prachtige opnamen. Het zijn met name de hits die hij met dit
orkest scoorde, die aan zijn populariteit hebben bijgedragen. De twee artiesten gingen
na verloop van tijd elk hun eigen weg. Pio ging zingen in het nieuwe
orkest dat Compay Segundo had samengesteld na zijn vertrek bij het
Duo Los Compadres. Bebo Valdés huwde een Zweedse dame en
zou zich uiteindelijk blijvend in dat land vestigen. Na elkaar ruim
een halve eeuw uit het oog te hebben verloren, bestaan er volgens
zoon Pio Leiva Jr. inmiddels vergevorderde plannen om de twee weer
voor opnamen bij elkaar te brengen.
Helaas niet met een big band zoals weleer, maar met een kleinere
bezetting. Uit de interviews met andere Cubaanse artiesten blijkt
steevast dat op hen om één of andere reden een muzikale
familietraditie greep heeft gekregen. Pio ontkent in alle toonaarden
dat dit ook bij hem het geval is geweest. Zijn ouders hadden niets
met muziek en zijn kinderen heeft hij zelfs verboden zich te wagen
aan een carrière in de muziek. De tijd ontbrak op dat moment
om hem naar de reden daarvan te vragen. Later die avond kreeg
ik een herkansing want tussen het gezelschap bleek ook zoon Pio
Jr. rond te lopen, dochter Rosalia en ook nog eens een kleindochter
van Pio. Over het "niets met muziek" schieten zij spontaan
in de lach: Pio Jr. blijkt producer van beroep te zijn, diens zuster
vertegenwoordigt artiesten (waaronder haar vader natuurlijk) en
de kleindochter is assistent producer. Muziek genoeg dus, maar dan
vooral een organisatorische inbreng. De
revival op Cuba van traditionele son muziek en de belangstelling
voor oudere muzikanten is wat Pio Jr. en Rosalia betreft met name
de verdienste van Juan de Marcos Gonzalez. Hij was het die met zijn
Grupo Sierra Maestra die belangstelling kweekte en later met het
idee kwam en de research leverde voor een uniek project voor het
Engelse World Circuit Records. Dit
project is later bekend geworden als de Buena Vista Social Club.
Dit alles leidde tot de herontdekking van hun vader, c.q. opa en
betekende voor hen het begin van een eigen carrière in de
muziekindustrie. Hun
basis is smal; zij richten zich volledig op specifiek dit genre
Cubaanse muziek, maar zitten boordevol plannen om samen met het
Duitse Termidor label dit segment van de Europese markt te gaan
bedienen. Pio en zijn familie volgt hierin duidelijk een eigen weg.
Desondanks onderhoudt Pio nog steeds goede contacten met zijn collegae
van de Buena Vista Social Club. Zij zijn echter verbonden aan andere
platenlabels die met eigen strategieën de markt bewerken. Een
nieuw gezamenlijk project lijkt er vooralsnog niet in te zitten.
Na optredens met artiesten als Alberto Alvarez, Niño Rivera,
Mariano Mercerón, het Conjunto Severino Ramos en Billo's
Caracas Boys volgden de nodige soloalbums met een eigen orkest.
Ook zijn optreden in talloze televisieshows heeft veel aan zijn
populariteit bijgedragen.
Hier in het Westen lijkt het rond hem na de opnamen met de Estrellas
de Areito in 1979, stil te zijn geworden. Wanneer
ik hem daarnaar vraag, somt hij zo een riedel orkesten op waarmee
hij nadien nog heeft gezongen. Van al de klinkende namen die hij
noemt, blijft bij mij alleen die van Orquesta Aragon hangen.
Bij het grote publiek is het echter de film "Buena Vista Social
Club" van Wim Wenders die hem in 1998 opnieuw voor het voetlicht
brengt. Dan nog slechts in een bijrol. Eerst zes jaar later krijgt
hij in "Musica Cubana - Sons of Buena Vista" een hoofdrol
aangemeten. |
|
| © copyright
- latinartiesten.nl 2003 |
|
|