|

|
Interviews 2004
met (inter) nationale artiesten
In de reeks van "Interview
met" heeft het
Salsa Info team bestaande uit
Otto & Kati van Helden (Lago Latino),
André Lambeck
& Caroline Bergwerf
(Salsa Info) diverse nationale en
internationale artiesten geinterviewd.
|
|
 |
NG La Banda (Cuba)
Wanneer: 7 augustus 2004 | Waar: Polé Polé, Duinbergen | Tekst: Otto & Caroline | Fotografie Kati van Helden |
|
| |
|
"Een
man met een missie"
Een blik in het Spaans-Nederlands woordenboek
bij "tosco", leert dat dit woord synoniem is voor begrippen
als "onbehouwen", "grof", "lomp" en
"ruig". Bij iemand met "El Tosco" als bijnaam
ben je dus bij voorbaat op je hoede. Het pakt echter volkomen anders
uit, want we raken in gesprek met een welbespraakt persoon die voor
zichzelf een duidelijke muzikale rol ziet weggelegd.
Zijn bijnaam "El Tosco" verwijst ook niet naar zijn persoonlijkheid,
zo verzekert hij ons ten stelligste, maar naar een voorval tijdens
zijn middelbare schoolperiode. Hij toont zich een man met missie;
iemand die de gebeurtenissen in de wereld volgt, daarover nadenkt
en zichzelf een plaats in dit grote geheel probeert te geven.
Hij
is daarbij beslist geen dromer en blijft met beide benen op de grond:
"De wereld is vol met onrecht. Ik zou dat graag willen veranderen,
maar dat heb ik niet in mijn macht. Ik kan het wel een beetje dragelijk
maken". José Luis Cortés
is een veelzijdig muzikant. Niet alleen dat hij zingt en dwarsfluit
speelt, ook de bas en piano heeft hij in de vingers. Daarnaast componeert
en arrangeert hij zijn eigen materiaal. De albums die hij als producer
op zijn naam heeft staan, zijn niet die van alleen zijn eigen orkest,
maar ook van andere artiesten die hij in hun carrière op
weg helpt.
Zijn in 1988 opgerichte formatie N.G. la Banda behoort tot de populairste
orkesten van Cuba. Hij is verantwoordelijk voor de ontwikkeling
van "timba", het genre dat in de jaren negentig zou uitgroeien
tot één van de belangrijkste stromingen in de hedendaagse
Cubaanse muziek. En daar is het niet bij gebleven. In 1992 experimenteerde
hij als eerste met rap en Cubaanse muziek en heeft het genre tot
op de dag van vandaag in portefeuille. Met deze wapenfeiten hebben
wij te maken met een persoon die het laatste decennium een duidelijk
stempel op de Cubaanse muziek heeft gedrukt. Een krachtige persoonlijkheid
want het vergt nu eenmaal bepaalde eigenschappen om een groot orkest
te leiden en op artistieke koers te houden. Hierbij moet niet alleen
worden gedacht aan creativiteit en visie, maar ook aan eigenschappen
als doorzettingsvermogen, zakelijk inzicht en leiderschap. Zo iemand
is voor zijn directe omgeving veeleisend, laat zich gelden en is
daardoor niet altijd makkelijk in de omgang. De wieg van José
Luis Cortés stond in Santa Clara. Ook voor hem geldt dat
muziek hem met de paplepel is ingegoten. Zijn ouders waren allebei
beroepsmuzikant in een circusorkest.
Zijn moeder zong en zijn vader speelde percussie. Thuis echter pakte
zijn vader ook wel eens de gitaar. Vrijwel al hun vrienden en kennissen
waren muzikant en zo was er thuis altijd wel wat te doen met muziek.
Het was voor hem dan ook een vanzelfsprekende zaak dat hij muziek
ging studeren aan het conservatorium. Na het afronden van zijn
studie zou hij gaan spelen bij Los Van Van, het orkest van Juan
Formell dat juist in deze jaren het geluid van de Cubaanse muziek
een verjongingskuur liet ondergaan. Na korte tijd ging hij voor
een periode van 3 jaar het leger in om daarna weer terug te keren
op zijn oude stek bij Los Van Van. Vandaar maakte hij de overstap
naar Irakere, een orkest dat in de jaren tachtig vooral in de jazzscène
een eye opener was. Na verloop van tijd maakte José Luis
zich van dit orkest los om met een eigen orkest, N.G. la Banda,
zijn eigen ideeën gestalte te kunnen geven.
Dit orkest ondergaat momenteel een verjongingskuur. Er blijkt zich
werkelijk een Nuevo Generación aan te dienen: één
van de zangeressen blijkt namelijk zijn dochter te zijn en ook zijn
zoon heeft een plaats in het orkest gekregen. Oud legermateriaal
had hem nog vóór hij in dienst ging aan zijn bijnaam
"El Tosco" geholpen. In het kader van het lesprogramma
van de middelbare school waren alle leerlingen namelijk verplicht
een dag op het platteland te werken. Ook hij kreeg zijn taak
en keerde weer terug op school in zijn kloffie als landarbeider:
een te krap zittend hemd, een te korte gerafelde broek en als klap
op de vuurpijl "unas botas toscas", een paar oude, afgetrapte
en veel te grote Russische legerlaarzen.
Het moet een potsierlijke vertoning zijn geweest want vanaf dat
moment werd hij alleen nog maar schetsend aangesproken met "El
Tosco". Het leger met zijn hiërarchie moet José
Luis op een bepaalde manier hebben aangesproken. Terugkijkend op
het moment waarop hij zich van Irakere losweekte, omschrijft José
Luis deze stap als een daad van "pure anarchie". Hij had
met composities en arrangementen weliswaar een eigen inbreng maar
voelde zich desondanks niet meer als "een soldaat in een leger
onder aanvoering van Chucho Valdés". Hij voelde dat
hij "geen soldaat maar legeraanvoerder wou zijn". Daarvoor
was binnen Irakere geen ruimte. De wegen van beide artiesten hebben
zich vervolgens in goede verstandhouding gescheiden. Hij heeft nog steeds het
grootste respect van het werk van Cucho Valdés en zijn Irakere.
José Luis is zich door deze ervaring wel bewust van het feit
dat hij vanuit de positie die hij nu bekleedt ooit te maken zal
krijgen met mensen met zelfde aspiraties als hij ooit heeft gehad.
Het draagt dus kiemen voor conflict. Hij zal echter niet wijken;
het is zijn leger en hij voert het bevel.
In zijn werk maakt hij onderscheid naar datgene wat hij doet bij
wijze van broodwinning voor een breed publiek en naar datgene wat
een meer persoonlijk stempel draagt en bestemd is voor een klein
select publiek. De voor het brede publiek bestemde muziek draagt
een duidelijk motto: er is genoeg ellende in de wereld en zijn muziek
moet de gedachten daar even van af kunnen leiden. Muziek die op
een toegankelijke wijze ongecompliceerde ontspanning biedt. Het
vergt een zesde zintuig om het publiek precies aan te voelen en
natuurlijk creativiteit om de opgevangen signalen te kunnen vertalen
in nieuwe muzikale ideeën. De nieuwe frontline met
vier jeugdige zangeressen is daar een voorbeeld van. De dames zijn
tussen de 14 en 19 jaar oud. Ze zien er niet alleen leuk uit, maar
hebben in muzikaal opzicht ook het nodige in hun mars. Hij wil het
drie jaar aanzien hoe zich dit ontwikkelt. Als het hem bevalt, gaat
hij ermee door. Zo niet, dan zal het roer worden omgegooid. Het
gonst deze dagen op Cuba over de nieuwe film van Wim Wenders: "Musica
Cubana - Sons of the Buena Vista".
Als vanzelf komt het gesprek daarop terecht. De gevoelens van José
Luis blijken ambivalent te zijn. Hij kan niet ontkennen dat het
succes van de Buena Vista Social Club enorm heeft bijgedragen de
Cubaanse muziek weer op de landkaart te plaatsen. Maar hij vraagt
zich wel af ten koste van wat. Cuba wordt er geportretteerd alsof
het de enige "achterstandswijk" in de Cariben zou zijn
en de nu naar voren geschoven artiesten zijn volgens hem veel minder
groot als alle bombarie doet vermoeden. De werkelijk grote namen
van de Cubaanse muziek, en dan denkt hij aan een Miguel Matamoros,
Ignacio Piñeiro, Beny Moré, Arsenio Rodríguez
en een Felix Chappottín, zijn reeds lang geleden overleden.
Het is wat hem betreft één grote "mentira"
(leugen) en de nieuwe film van Wim Wenders veegt hij op één
hoop met de oude: wederom een "mentira". En
zo komen wij weer uit bij waar we begonnen waren: dat er een wereld
is vol onrecht en slechte dingen.
Zaken moeten wat hem betreft grondig veranderen en dat het gaat
veranderen staat voor hem als een paal boven water. Wat hem betreft
hangt het hele voortbestaan van de mensheid daar van af. Waar het
Cuba en de muziek zal brengen, weet hij niet. Daarover waakt de
voorzienigheid. |
|
| © copyright
- latinartiesten.nl 2003 |
|
|