|

|
Interviews 2006
met (inter) nationale artiesten
In de reeks van "Interview
met" heeft het
Salsa Info team bestaande uit
Otto & Kati van Helden (Lago Latino),
André Lambeck
& Caroline Bergwerf
(Salsa Info) diverse nationale en
internationale artiesten geinterviewd.
|
|
 |
Alberto "Molote" Muñoz (Cuba/Ned)
Wanneer: 26 januari 2006 | Waar: Witte Vrouwen, Utrecht | Tekst: Otto & Caroline | Fotografie Kati van Helden |
|
| |
|
"
Grenzeloos "
Op afgesproken plaats
en tijdstip werden wij geconfronteerd met een algemeen grootstedelijk probleem:
het ontbreken van een parkeerplaats. Geen nood. De gastheer schoot uit huis, nam
naast mij plaats en hielp spontaan bij de jacht op een geschikt plekje. Laverend
door de nauwe straatjes van de oude sfeervolle arbeiderswijk raakten wij uit koers.
Uiteindelijk werd de zoektocht beloond, maar vandaar was het wel een aardige wandeling
naar het afgesproken adres. In de morsig verlichtte straatjes liepen wij samen
op. Al lopend kwam op gedempte toon het gesprek op gang. De
tocht schiep een band. Het slechtte barrières en eenmaal te bestemder plaatse
hebben wij die avond als oude vrienden over van alles en nog wat zitten kletsen.
Natuurlijk ook over zijn tournees met de Buena Vista Social Club en de Afro-Cuban
All Stars. Een ervaring die hem een soort kwaliteitsgarantie gaf. Deze kwam hem
van pas toen hij in Europa aanspoelde om daar een nieuwe draai aan zijn carrière
te geven. Het maakte hem tot een gewild artiest en verschafte hem tal van ingangen
om zijn muzikale ei kwijt te raken. Pratend met trombonist Alberto "Molote"
Muñoz, want over hem gaat dit verhaal, draait het bij dat ei vooral om
artistieke vrijheid.
Om af te tasten wat voor vlees wij met Alberto in de kuip hebben,
begint het gesprek met Alberto's verleden en de dingen die hebben gemaakt wie
hij is. Pratend over zijn jeugd en zijn kijk op de dingen des levens komt het
gesprek steeds weer op zijn ouderlijk huis. Dat huis stond in Cayo Hueso, een
oude wijk in Havana met een rijke historie. Met zijn vele solares was dit de plaats
waar tegen het einde van de negentiende eeuw de door afschaffing van de slavernij
vrijgekomen slaven zich in grote getalen vestigden. Deze solares waren in wezen
niet anders dan pakhuizen vol armoede en ellende. Er werd veel gedronken en gevochten.
En alsof dat niet genoeg was, streek een paar decennia later in deze wijk ook
nog eens de Maffia neer. Het zette de toch al gespannen sociale verhoudingen verder
op scherp. De wijk had vóór de Revolutie dan ook een slechte reputatie.
Maar juist in die wijk, in die solares, werden ook de Afrikaanse tradities in
ere gehouden. Religieus met Yoruba-geloof en muzikaal met rumba. Het is niet toevallig
dat juist in deze wijk de wieg heeft gestaan van legendarische artiesten als Mario
Bauza, Chano Pozo, Vicentico Valdés en Omara Portuondo. Je
kan je er tegen verzetten maar dat heeft geen zin. De wijk ademt als het ware
Afro-Cubaanse cultuur en ongemerkt neemt het jou in zijn bezit. Eigenlijk is het
Alberto precies zo vergaan. Zonder dat hij iets met het geloof heeft, wordt hij
binnen zijn Cubaanse kennissenkring beschouwd als een 'zoon van Ogún':
stevig, sterk, recht uit zijn lijf, ongepolijst.
Alberto's vader was tabaquero,
sigarenroller. Als zovele tabaqueros hield hij veel van muziek. Nogal wat van
zijn collega's waren "cantautores", mensen die liedjes schrijven en
ze zelf ook zingen. De bekendste van dit soort tabaqueros is wellicht Compay Segundo.
Nu schreef Alberto´s vader zelf geen liedjes. Hij zong en speelde gitaar.
Muziek was voor hem vooral een vrijetijdsbesteding. Een heel sociaal gebeuren:
zijn vrienden en collega's zochten hem thuis op om met elkaar muziek te maken.
Vrijwel dagelijks was het daarom bij de familie Muñoz een soort descarga
aan huis. Alberto's vader kende iedereen in de wijk die gitaar speelde.
Van oudgedienden als Compay Segundo tot talent in dop, zoals de toen nog piepjonge
Juan de Marcos González. Allemaal kwamen ze bij hem over de vloer om te
jammen. Natuurlijk had dit zo zijn invloed op de daar opgroeiende kinderen. Maar
liefst drie van zijn vijf zoons zijn muzikant geworden. Alberto's moeder is een
rechtstreekse afstammeling van slaven. Als geen ander was zij bekend met de Afro-cultuur
uit Cayo Hueso. Zij had er echter weinig mee op. Moeder Muñoz komt in de
verhalen naar voren als een dame met uitgesproken meningen, die zeer nadrukkelijk
haar stempel op het gezin drukte. Ze regeerde met strakke hand: die Afro-cultuur
liet zij liggen waar ze lag en niets van dat alles kwam het huis binnen. Zij probeerde
haar kroost van de straat te houden en anders op te voeden. Dat lukte. Allemaal
zijn ze naar school gegaan. Maar de invloed die de wijk had op hun muzikale ontwikkeling
kon ze niet tegenhouden. Maar in plaats van dit te bevechten, besloten zij en
haar man het te overtroeven door aan hun opvoeding een gedegen muzikale opleiding
toe te voegen. Door
de thuissituatie was voor Alberto muziek maken de normaalste zaak van de wereld.
Als vanzelf ontstond daardoor bij hem het idee om beroepsmuzikant te worden. Zijn
vader was daarbij natuurlijk zijn grootste bron van inspiratie. Hoe, waar en wanneer
kon hij toen nog niet duiden, maar voor Alberto stond van begin af aan vast dat
zijn toekomst in de muziek zou liggen. Zijn vader had allerlei relaties om hem
verder te helpen en zelfs zijn moeder zag het wel zitten.
Maar hij had geen
voorspraak van zijn vader nodig. Al vroeg werd Alberto gespot door een scout,
die zijn ouders vertelde dat het er bij hem wel in zat. Hij werd ingeschreven
bij de Escuela de Música Clásica. Zoals de naam al doet vermoeden,
werd op dit conservatorium weinig Cubaanse muziek gedoceerd. Er stond hoofdzakelijk
(± 70 %) klassieke Europese muziek op het programma. Maar toen hij de eerste
jaren van zijn muzikale opleiding er op had zitten, was hij rond zijn veertiende
vaardig genoeg om samen met andere studenten in groepjes populaire muziek te spelen. Enkele van die
onervaren en onbekende studenten van toen zijn de grote namen van nu. Zo speelde
Alberto in die periode samen met niemand meer of minder dan de iets oudere Gonzalo
Rubalcaba.
Na vijf jaar lang deze conservatoriumopleiding te hebben gevolgd,
moest Alberto op zijn zestiende zijn dienstplicht vervullen. Door zijn aanleg
en opleiding kwam hij terecht in de militaire staatskapel. Dit gezelschap moest
bij officiële staatsbezoeken spelen, zowel in binnen- als buitenland. Samen
met dit gezelschap is Alberto toen al de halve wereld rondgereisd. Naast het opdoen
van ervaring en levenswijsheid lijkt de belangrijkste verworvenheid van deze periode
echter het krijgen van een bijnaam. Eén van deze muzikanten in het gezelschap,
de trompettist Silvio Chile, gaf namelijk iedereen een bijnaam. Alberto kreeg
van hem het etiket "Molote" (Berg). Dit vanwege zijn grote postuur.
Nu heeft Alberto dat postuur van zijn vader die juist "el Pequeño"
(De Kleine) werd genoemd. Deze
naam had hij van zijn ooms gekregen in de periode dat hij als kleine jongen samen
met hen optrok. Deze kleine jongen werd uiteindelijk groot, maar zijn bijnaam
bleef. Hoe grappig ook, Alberto´s vader was niet bepaald ingenomen met de
bijnaam voor zijn zoon. Maar hij kon het tij niet keren. De mensen kenden Alberto
op een gegeven moment niet anders dan als "Molote".
Op zijn
zeventiende had Alberto zijn plichten aan het vaderland vervuld en was het aan
hem om waar te maken waarvoor hij had gestudeerd: een carrière als beroepsmuzikant.
Hij werd geclassificeerd en kon zijn eerste professionele ervaring opdoen. De
eerste drie jaar speelde Alberto in allerlei orkesten. Zo speelde hij onder meer
met Generoso Jiménez, de trombonist en arrangeur van de Banda Gigante van
Beny Moré. Ook speelde hij een blauwe maandag met Pello el Afrocán.
In 1990 kwam hij terecht in het mateloos populaire orkest van Elio Revé. Na amper vijf dagen met Revé te hebben geoefend, had
hij zijn eerste optreden met dat orkest. Zomaar een "thuiswedstrijd"
op de Malecón voor ruim 15.000 man. Niet eerder had Alberto voor zo'n mensenmassa
gestaan. Die dag daar op dat podium had hij zich nog nooit zo nerveus gevoeld.
Op den duur is hij er aan gewend geraakt. Maar hij leerde ook dat populariteit
betrekkelijk is. Alle succes met dit orkest namelijk kon niet wegnemen dat hij
er in muzikaal opzicht op uitgekeken raakte. Na zes jaar was hij het dag in dag
uit dansmuziek spelen meer dan zat en hield het voor gezien. Het orkest was een
soort doorstroomhuis. Alberto was in die paar jaar al één van de
oudgedienden geworden.
Iedereen van het begin was alweer weg en nu zag
hij ook de nieuwen gaan. In 1996 kreeg hij een kans te gaan spelen bij het Orquesta
de la Radio y Televisión. Het brede repertoire dat dit orkest moest spelen
sprak hem bijzonder aan. Van klassiek tot populair, van traditioneel tot experimenteel. Alberto vindt dat
hij altijd geluk heeft gehad. Altijd was hij op het juiste moment op de juiste
plaats en klaar voor dingen die op zijn weg kwamen. Hij speelde amper een jaar
met het Orquesta de la Radio y Televisión, toen er op zijn deur werd geklopt
voor een nieuw project. Het zou zijn leven voorgoed veranderen. In die periode
was Alberto bezig met de laatste opnamen voor een plaat met Elio Revé en
had hij kort daarvoor zijn oude jeugdvriend Juan de Marcos González ontmoet.
Die was op dat moment ook bezig met het opnemen van een album en zei dat hij Alberto
nog wel eens nodig zou kunnen hebben. Die dag dus stond Juan de Marcos inderdaad
voor zijn deur met een aanlokkelijk voorstel. Na ampel beraad ging hij op het
voorstel in en tekende voor de projecten die bij het grote publiek bekend zouden
worden als de Afro-Cuban All Stars en de Buena Vista Social Club. Alberto
scheepte zich in voor de eerste wereldtournee van deze Afro-Cuban All Stars en
de Buena Vista Social Club. Het ging uiteindelijk om vrijwel dezelfde groep muzikanten
en er was tijdens deze eerste tournee dan ook geen duidelijke scheiding tussen
beiden. Voorafgaand aan de tournee hadden zij nog enkele weken in het huis van
Cachaito López geoefend.
Er was verder geen installatie en alles
gebeurde akoestisch. Natuurlijk was hem wat over het project verteld en ook kwamen
er zo nu en dan wat oude mannetjes langs. Maar Alberto had op dat moment echter
geen enkel besef van wat de bijdrage van deze mannetjes aan het hele project nu
precies inhield. De stem van Ibrahim Ferrer had hij tijdens dat oefenen nog nooit
gehoord. Dat veranderde bij toverslag met het eerste concert in Engeland. Daar
werd alles uitversterkt en opeens waren de oude stemmen krachtig genoeg om zich
met het orkest te meten. Hier hoorde Alberto hen pas voor het eerst en was diep
onder de indruk van hetgeen deze bejaarde mannetjes in muzikaal opzicht te bieden
hadden. Nog het meest tastbare aan deze tournee met de Afro-Cuban All Stars en
de Buena Vista Social Club is een imposante bos badges, die hem toegang hebben
verschaft tot de belangrijkste podia overal ter wereld.
Eén van
die optredens, zijn eerste in Nederland, was op vrijdagavond 11 april 1997 in
het Utrechtse RASA. Een dag later was het Amsterdamse Melkwegtheater aan de beurt.
Het was een bliksembezoek, want enkele dagen later was hij alweer op een andere
plek in Europa voor een volgend concert. Maar
wat hem van deze hectische dagen in Holland is bijgebleven, is dat het bij beide
concerten vol stond met journalisten en, zeker niet onbelangrijk, de ontmoeting
met een dame waarbij hij na zijn omzwervingen met die Afro-Cuban All Stars zijn
intrek zou nemen: Caron Honold. Daarmee heeft zijn werken met de Afro-Cuban All
Stars hem niet alleen een wending in zijn muzikale leven bezorgd, maar ook een
wending wat betreft liefde en geluk in zijn persoonlijk leven. Zich voor haar in Nederland gevestigd
hebbende, stond hij voor de uitdaging met de hier voor handen zijnde middelen
zijn muzikale ideeën te gaan realiseren. Ideeën die gerijpt waren in
de voedingsbodem van zijn culturele bagage. Nu is die culturele bagage de weerslag
van ruim 500 jaar multiculturele samenleving op Cuba. De Nederlandse multiculturele
samenleving staat op pakweg 50 jaar. Zomaar een half millennium voorsprong, dat
moet je kunnen uitbuiten. Bewust koos hij niet voor een vast orkest. Neen, hij
wilde van idee tot idee een bezetting die aan deze ideeën vorm zou kunnen
geven. Van de verschillende projecten die hij de afgelopen jaren ontwikkelde,
hebben vooral zijn descarga-sessies in het Utrechtse RASA aandacht getrokken.
Niet direct bij een danspubliek maar bij een luisterpubliek dat zichtbaar genoot
van de steeds weer nieuwe wendingen die hij aan zijn muziek wist te geven. Sommige
van deze exercities waren uit nood geboren en kwamen voort uit een bikkelhard
gevecht om podiumruimte en subsidies. Want in Nederland beroepsmuzikant zijn,
is leuk maar 't betaalt slecht. Er je brood mee verdienen blijkt een hele opgave.
De
vele uitersten in zijn experimenten tonen dat er voor Alberto in muzikaal opzicht
bijna geen grenzen bestaan. Toch heeft hij bij enkele richtingen wel zijn reserves.
Eén daarvan is het danscircuit. Bewust kiest hij ervoor om niet het platgetreden
pad van pretentieloze amusementsmuziek te begaan. Want als je dat wilt, zo redeneert
hij, sta je niet meer in dienst van de muziek maar van de dans. Dat lijkt in muzikaal
opzicht simpel, maar hij weet beter. Want het goed brengen van deze muziek vergt
niet alleen een zesde zintuig voor de wensen van het publiek. Het vergt ook een
bepaalde instelling als muzikant en de discipline om eindeloos te oefenen. Dit
ontbreekt bij veel muzikanten hier. Althans, het zich aan één orkest
willen binden en er dan voor meer dan 100% voor willen gaan, zo heeft Alberto
moeten ervaren.
Een ander genre waar hij zo zijn reserves over heeft, is de
bolero. Voor sommigen is de bolero een manier van leven, een bepaalde manier van
denken. Nogal wat artiesten van zijn leeftijd vallen terug op dit romantisch-sentimentele
repertoire. En wanneer je er naar vraagt, krijg je van veel van deze artiesten
te horen dat het voor hen diepe herinneringen oproept omdat het de liedjes zijn
die ooit door hun moeder werden gezongen. Natuurlijk heeft ook Alberto zijn herinneringen.
Maar dan niet zozeer aan zijn moeder als wel aan zijn vader. Hij was het, die
ze zong en dat deed hij met flair. Ook later heeft Alberto, inmiddels beroepsmuzikant
geworden, het genre intens beleefd tijdens het "Bolero de Oro"-festival
dat jaarlijks medio juni in Havana en Santiago de Cuba wordt gehouden. De meeste
boleristas hebben geen eigen orkest. Voor hen wordt door de organisatoren van
het festival een universeel begeleidingsorkest samengesteld.
Ooit heeft Alberto
in dat orkest mogen spelen. En als dat niet genoeg is geweest, stonden bij wijze
van toetje bij de Afro-Cuban All Stars ook de nodige bolero's op het repertoire.
Toch zal hij, zolang hij hier in Europa speelt, zich niet gauw aan dit genre bezondigen.
Niet om principiële redenen of iets dergelijks. Er zijn genoeg goede zangers
die dit genre met verve zouden kunnen brengen. Maar bij dit genre gaat het bij uitstek
om het sentiment dat de teksten oproepen. Alberto beseft al te zeer dat juist
deze dimensie aan niet-Spaanstaligen voorbij gaat en dat het genre zonder die
dimensie is als een muzikale eunuch. Kortom: no more boleros.
Alberto's
muziek moet voor zich spreken. Teksten komen op het tweede plan. Ook wil hij zich
niet binden aan één bepaald genre muziek. Hij zoekt grenzen en probeert
deze te verleggen. Geen experiment of fusion gaat hij uit de weg. Je hoort hem
als gastartiest samen met Pio Leiva aan de oppervlakte van de Cubaanse muziek
blijven. Maar je hoort hem ook, net als zijn vrienden Angá en Omar Sosa
naar het diepste der diepten in de Afrikaanse roots duiken. Je kan hem horen,
samen met la Curra, op zoek naar een fusion tussen Cubaanse ritmes en Spaanse
flamenco. Beslist een aanrader is zijn curieuze "Black Tulip"-project
waarin hij de Afro-roots van Marokkaanse Gnaoua-muziek laat samenvloeien met zijn
eigen Cubaanse Afro-roots. Maar in welke gedaante hij ook verschijnt, steeds weer
weet hij vooral zichzelf te blijven. Hoe dat uitpakt valt te beluisteren op zijn
laatste cd "Non stop descarga" (MOR 1343, 2005). Een album dat beslist
de moeite waard is om op je te laten inwerken. |
| |
|
|
| © copyright
- latinartiesten.nl 2003 |
|
|