 |
| |
 |
Latin muziek in Nederlandse kleinkunst:
Thom Kelling |
| |
 |
Latin muziek in Nederlandse danszalen:
Malando speelt Pérez Prado |
| |
 |
| The Ramblers op de Prado tour. |
| |
 |
1979: Amsterdam, Roetersstraat 18;
Tito Puente en Carlos "Patato" Valdez in de snoepwinkel |
| |
 |
| 1982: Suriname (skratjie dron) Jopie Vries draagt heden deze pook over aan Alberto de Hond alias Jopie Vrieze |
| |
 |
| 1930: New York, Don Azpiazu's Manisero op 78 toeren |
| |
 |
| 1935: Nederland, Eduardo Bianco's bezoek liet sporen na |
| |
 |
| 1939: Nederland, ook de Lecuona Cuban Boys lieten sporen na". |
| |
 |
| 1960: Amsterdam, Roetersstraat 18a |
| |
 |
| 195?: Amsterdam: AMVJ (?) Alberto's eerste eigen drumstel (en geleende hihat van Johnny Hengels) met Theo Loevendie altsax, Henk van Es, baritonsax en Piet Voortalle, trompet." |
| |
 |
| Onbezoldigd percussionist |
| |
 |
| 1969 (zondag 10 augustus): Roermond, Alberto de Hond met Carl Schulze's Latin Sextet tijdens Hammerveld Jazz festival |
| |
 |
| 1970 (?): Wereldomroep Hilversum; Alberto de Hond met Ritmo Natural |
| |
 |
| 1970: (zondag 9 augustus) Roermond, Alberto de Hond met Hans Dulfer en Ritmo Natural tijdens Hammerveld Jazz festival |
| |
 |
| 1969: Hilversum, Alberto de Hond met Hans Dulfer en Ritmo Natural in televisiestudio |
| |
 |
| Alberto de Hond met Sonora Paramarera |
| |
 |
| |
 |
| 1980 (24 november): Amsterdam; Celia Cruz thuis bij Alberto de Hond |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| Orchestra Sonora |
 |
| logo Orchestra Sonora |
| |
 |
| 1969: New York, Alberto de Hond en Ubaldo Nieto |
| |
 |
| 1969: El Cabojeño, New York; Alberto de Hond tussen publiek kijkend naar Tito Puente en La Lupe |
| |
 |
| 1969: New York, Alberto de Hond met Henry Adler |
| |
 |
| 1970: Expo Hal, Hilversum; Alberto's eerste stand tijdens muziekbeurs |
| |
 |
| |
 |
| 1979 (mei): Brussel: het Latin Percussion Jazz Ensemble met o.a. Tito Puente, Patato Valdez en gastoptreden van Toots Thielemans |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| 3 verschillende modellen "Silver Sound" campanas naar eigen ontwerp Alberto de Hond |
| |
 |
| |
 |
| 2006: Amsterdam; Alberto de Hond, Steve Boston en Luuk Kranenburg tijdens optreden ter gelegenheid presentatie doctoraalscriptie Gijs van Straalen |
| |
| Voor de fijnproever: |
In andere artikeltjes is reeds verhaald over de veranderingen die in de jaren zestig zoal plaatsvonden: over het geïsoleerd raken van Cuba, over het uit de gratie raken van de mambo en de muziek van de Cubaanse conjunto's. Ook is geschreven over hoe het Caribisch gebied zich in muzikaal opzicht begon te oriënteren op de muzikale ontwikkelingen in New York. In een wat trager tempo als daar in de Cariben, speelde dit proces zich ook in Europa af. Ritmo Natural moet één van de eerste muziekgezelschappen in Nederland zijn geweest die deze essentiële stap richting salsa heeft gezet. Er bestaan helaas geen eigen albums, maar alleen de albums met Hans Dulfer. Deze geven echter een vertekend beeld van de muziek waar Ritmo Natural eigenlijk voor stond. Er bestaan alleen nog registraties van optredens en sessies die wat dat betreft veel interessanter zijn. De best bewaarde opnamen zijn onlangs gedigitaliseerd door Alberto.
Voor de liefhebbers van vinyl, hieronder een overzicht van de producties met Hans Dulfer. |
| 1) Hans Dulfer & Ritmo Naturel featuring Jan Akkerman: "The morning after the third" (Catfish Stereo 5C 054.24.181, 1970) [lp] |
 |
Tracks kant a: 1. The morning after the third - 2. Señor Steve
Tracks kant b: 1. Dit is het begin - 2. Between the devil and the blue horizon - 3. Green mountain
Opname: februari 1970 -
Producer: Joop Visser -
Geluidstechniek: Pierre Geoffroy Chateau
Muzikanten: Hans Dulfer: tenorsaxofoon; Jan Akkerman: gitaar (gastartiest); Jan Jacobs: bass; Arjen Gorter: elektrische basgitaar, bass; John Grünberg (Grunchi): timbales, güiro, trombone; Steve Boston: conga’s, timbales; Alberto de Hond: drums, timbales, vibraslap; Paul van Wageningen: drums.
2a) Hans Dulfer & Ritmo Natural: "Red red Libanon/Candy clouds" (Imperial 5C 006-24 237, 1970) [single]2b) "Candy clouds" (Catfish 5C 054.24.307, 1971) [lp] |
 |
Tracks kant a: 1: King size Davy - 2: Satin-A - 3: Candy clouds (part 1)
Tracks kant b: 1: Candy clouds (part 2) - 2: Froggy - 3: Red, red Libanon
Opname: 17 en 18 augustus 1970 - Producer: Joop Visser
Geluidstechniek: Pierre Geoffroy Chateau
Muzikanten: Hans Dulfer: tenorsaxofoon; Rob van Wageningen: tenorsaxofoon, fluit; Dave Duba: gitaar; Kees Hazevoet: piano; Jan Jacobs: bass; Arjen Gorter: bass; John Grünberg (Grunchi): timbales, güiro, zang; Steve Boston: conga’s, timbales, zang; Alberto de Hond: timbales, vibraslap; Martin van Duynhoven: drums. |
| 3) Hans Dulfer: "El Saxofón" (Catfish 5C 054.24.515, 1972) [lp] |
 |
Tracks kant a:
1. El saxofón - 2. Sad love story
Tracks kant b: 1. Rice path - 2. Very sad love story
Opname: 16 oktober 1971, Bovema Studio's, Heemstede
Producer: Joop Visser
Geluidstechniek: Pierre Geoffroy Chateau
Muzikanten kant a: Hans Dulfer: tenorsaxofoon, zang; Jan Jacobs: bass; John Grünberg (Grunchi): conga’s, timbales, zang en aankondiging.
Muzikanten kant b: Hans Dulfer: tenorsaxofoon, Chinese fluit, zang; Frank Wright: tenorsaxofoon, fietsbel, zang; Bobby Few: piano, percussie: John Schuursma: gitaar; Jerome Hunter: elektrische basgitaar; John Grünberg (Grunchi): conga’s, timbales, zang, aankondiging; Steve Boston: conga’s, timbales, zang; Muhammad Ali: drums. |
| |
Voetnoten:
(1) Nat "King" Cole and Stan Kenton: "Orange colored sky"/"Jam-Bo" (Capitol Records 1184). Opname beide tracks: 16/08/1950. Stan Kenton Band met o.a. Maynard Ferguson. Jam-Bo is een instrumentaal nummer van Shorty Rodgers.
(2) Los, J. (2004) “Hans Dulfer: als iemand speelt moet dat een reflectie van zichzelf zijn" in Draai om je oren, jazz en meer - interview
(3) Baartman, N. (1998, 16 oktober) "Franky Douglas" in De Volkskrant. [pag. 22] |
| |
| |
|
1969
Heel de wereld zat 20 juli 1969 aan de buis gekluisterd om Neil Armstrong en Edwin Aldrin als eerste mannetjes op de maan te zien. En dan waren er nog Bert en Ernie, een ander komisch poppenduo waarmee de televisiekijkers dat jaar werden geconfronteerd.
Van heel andere orde waren de rellen die dat jaar op Curaçao uitbraken. Maar het was ook de tijd van de hippies, flowerpower en een kantelende seksuele moraal. Dit laatste kreeg een muzikale vertaling in bijvoorbeeld de musical "Hair" en het sensuele "Je t’aime… Moi non plus" van Serge Gainsbourg en Jane Birkin. Het onbeduidende Bethel in de staat New York werd op de kaart gezet door het daar georganiseerde Woodstock festival. Liesbeth List en Ramses Shaffy lieten hun "Pastorale" horen en Shocking Blue haalde Amerikaanse hitnoteringen met "Venus". Maar 1969 was ook het jaar waarin Hans Dulfer met zijn free jazz de confrontatie zocht met latin ritmes. Niet meer dan een nietig feitje in deze opsomming van wereldgebeurtenissen. Wie zich echter interesseert voor de ontwikkeling van de latin muziek in Nederland, zal dit feitje anders taxeren. Het markeerde namelijk zo'n beetje het moment waarop in Nederland de latin muziek uit de sfeer van de pretentieloze dansmuziek werd getrokken en de rudimentaire vormen aannam van de muziek die wij nu "salsa" noemen. Direct na de oorlog kreeg het Nederlandse publiek vooral exportkwaliteit Cubaanse muziek voorgeschoteld, bestemd voor een breed Westers publiek. Het werd gespeeld in alle denkbare samenstellingen. Van trio's à la Los Panchos tot big bands in de stijl van Pérez Prado. Elk type orkest had zo zijn Nederlandse equivalenten. Van kleine gezelschappen zoals die van Maria Zamora en van Thom Kelling tot grote dansorkesten als Malando and his Rumba Orchestra.
Daarnaast circuleerde een groot aantal orkesten met artiesten van vooral Antilliaanse en Surinaamse origine. De weg naar een meer authentieke benadering van deze muziek valt veel moeilijker te duiden. In 1969 besloot echter het begeleidingsorkest van Max Woiski Jr. zich af te scheiden. Vanaf dat moment stond het sein voor Raul Burnett, Steve Boston en John “Grunchi” Grünberg op veilig. Zonder schroom konden zij zich ten volle overgeven aan hun passie: Cubaanse muziek. Op een serieuze manier wel te verstaan en niet meer zoals voorheen met een knipoog. Het gezelschap werd bekend als "Ritmo Natural". Hans Dulfer kreeg de gelukkige ingeving met zijn Free Jazz Boys te gaan sparren met dit gezelschap. Het bleek een schot in de roos. De combinatie Dulfer en Ritmo Natural werd voor het nageslacht op een drietal albums vastgelegd. Deze albums markeren een omslag in de ontwikkeling van de latin muziek in Nederland. De kern van Ritmo Natural werd gevormd door een viertal namen. Een daarvan was die van Alberto de Hond. Een artiest met een lange staat van dienst. Vele muzikanten zullen bekend zijn met Alberto's winkel in de Roetersstraat in hartje Amsterdam. Als een soort snoepwinkel was deze tot aan de nok toe gevuld met allerhande latin percussie-instrumenten. Achter in deze winkel bevond zich nog een ruimte die was ingericht als museum.
Daar stond een stokoude set timbales afkomstig van Ubaldo Nieto, die daarmee 30 jaar in het orkest van Machito had gespeeld. Ook stond er een set conga's, ooit bespeeld door Carlos "Patato" Valdez en overal lagen drumsticks die aan allerlei beroemde percussionisten hadden toebehoord. In weer een andere hoek stond een hoog bejaarde skratjie dron uit Suriname die ooit het eigendom was geweest van de legendarische Jopie Vrieze. Het verhaal achter deze winkel, de herkomst van die museumstukken en die merkwaardige opnamen van Ritmo Natural doen je realiseren dat er een tijd is geweest dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend was dat je voor een set conga's of timbales maar naar jouw lokale muziekwinkel hoeft te lopen. Er was een tijd dat mensen die iets wilden met latin muziek in een vliegtuig moesten stappen om het te halen waar het vandaan kwam. Alberto de Hond heeft dit alles niet alleen meegemaakt. Hij heeft er ook verandering in gebracht. Redenen te over dus om zijn verhaal uitgebreid op te tekenen.
Het prille begin
Een van de eerste Zuid-Amerikaanse dansen op het Europees continent was de Braziliaanse maxixe, een voorloper van de samba. De dans deed kort na de vorige eeuwwisseling zijn intrede in Parijs. De maxixe werd meer als show- dan als gezelschapsdans beschouwd. Na de maxixe kwam de Argentijnse tango die zich wel degelijk tot gezelschapsdans ontwikkelde. De tango werd op zijn beurt opgevolgd door de samba, een dans die omstreeks 1921 Parijs veroverde. Deze Braziliaanse dans kreeg in de jaren dertig concurrentie van biguine uit Martinique en de son uit Cuba. Buiten Cuba werd die son-muziek overigens aangeduid met "rhumba".
Er bestaat dan ook de nodige spraakverwarring over de échte Cubaanse rumba-muziek en dat wat buiten Cuba met "rumba" werd aangeduid. Als gevolg van het populair worden van deze muziek, maakten begin jaren dertig de eerste Cubaanse artiesten de oversteek naar het oude continent.
Als grote havensteden kenden zowel Amsterdam als Rotterdam in de jaren dertig een internationaal georiënteerd uitgaansleven. Ze volgden de trends in de rest van Europa. Zo was Nederland opgenomen in het tourschema waarmee Don Azpiazu in 1931 zijn succes met "El Manisero" in de VS ook in Europa wou verzilveren. In het Rotterdamse stond dat jaar bij Dirk Reese twee maanden achtereen het Gran Marimba Atlacatl uit El Salvador geprogrammeerd.
September 1935, ook in Rotterdam, maakte het Argentijnse tango-orkest van Eduardo Bianco zijn Nederlandse debuut in het bekende Pschorr. Het dansgrage publiek werd vermaakt met tango's, rumba's en paso-dobles. Oktober 1937 werd er in het Rotterdamse Negro Palace Mephisto een Cubaanse week georganiseerd.
Een handvol artiesten met Cubaans aandoende namen als José Baretto en Lolita Mojica moesten het thema muzikaal gestalte geven. Maar hoe Cubaans deze namen ook klonken, het waren slechts pseudoniemen. Het ging hier om het Surinaamse echtpaar Max Woiski en Alma Braaf dat zich een jaar daarvoor in Nederland had gevestigd. Samen met nog enkele andere Surinaamse artiesten waren zij jaren achtereen smaakmaker met Caribisch getinte muziek. In 1939 gaven de legendarische Lecuona Cuban Boys in Den Haag hun laatste vooroorlogse concerten in Europa.
In de oorlogstijd begon Max Woiski samen met pianist Freddy Johnson een zaak aan de Amstelstraat. Het scherpe toezicht op de zuiverheid van cultuuruitingen maakte dat Max zijn gasten daar moest trakteren op een mengelmoes van eigen composities en verhollandste Amerikaanse liedjes. Op 1 mei 1942 opende hij in de Leidsestraat 52 "La Cubana". Het centrale thema van dit café zal duidelijk zijn. Tegen het einde van de oorlog speelden er allerlei problemen, maar na de oorlog kon Max Woiski zijn club heropenen. Als bij alle clubs in die tijd was er een eigen huisorkest. Zonder het toezicht van een cultuurkamer kon Max Woiski nu vrijelijk het repertoire bepalen. Het moest natuurlijk latin worden. De club werd een bekende ontmoetingsplaats voor jazz- en latinmuzikanten.
Elders in de stad, in de rosse buurt op de Zeedijk nummer 26, groeide het kort na de oorlog geopende Casablanca binnen de kortste keren uit tot een bekende uitgaansgelegenheid. Het was de muzikale omlijsting het 'm deed. Het huisorkest bracht een mengeling van jazz, Surinaams en Caribisch. Het draaide daarbij vooral om de inbreng van de Surinaamse saxofonist Arthur Parisius, beter bekend als Kid Dynamite, en trompettist Theodorus Gustaaf Kantoor, oftewel Teddy Cotton.
Gewoonlijk stond Teddy Cotton kaarsrecht zijn partijen te blazen. Tijdens solo's kon hij in vervoering raken. Op zulke momenten ging hij al blazend ritmisch door zijn knieën buigen. Voor omstanders was dat een wonderlijk schouwspel. Tussen de vrolijke drukte in deze club bevond zich een Amsterdamse jongeman met een fascinatie voor ritme en percussie. Hij nam alles in zich op, bestudeerde de instrumenten en de technieken, knoopte praatjes aan en zou uiteindelijk met een aantal van deze muzikanten optrekken.
De jeugdjaren
Deze Amsterdamse jongeman was Appie de Hond (1934). Zijn tienerjaren waren als een spannend jongensboek. Van Joodse afkomst zijnde, moest hij in de oorlogsjaren onderduiken. Het gezin vond plek op de zolder van restaurant De Silveren Spiegel aan het Kattegat. Een op het eerste gezicht een niet erg voor de hand liggend schuiladres. Het café was namelijk al snel na de bezetting in trek bij Duitse militairen geraakt. Maar, zo was de redenatie, zolang zij daar beneden aan het drinken waren, zochten zij boven niet naar onderduikers. Dat veranderde toen zij door een buurman werden getipt. Tot zes keer toe werd het pand van boven tot onder overhoop gehaald. Maar het vernuftige door Appie's vader tussen balken, achter trappen en onder vloeren gebouwde stelsel van schuilnissen met camouflagepanelen deed zijn werk. De speurende Duitsers werden misleid en het gezin overleefde de onderduik. Als onderduiker zal Appie zich rustig hebben moeten houden. Deze schade haalde hij daarna ruimschoots in. Op de MULO, de middelbare school, was hij voortdurend bezig met muziek. Al snel was hij te vinden in het schoolorkest. Zijn voorkeur ging uit naar ritmische muziek. Het enige dat in die jaren enigszins aan dit criterium voldeed, was countrymuziek. Maar dat kreeg een wending toen hij "Orange colored sky" in handen kreeg. Een plaat van Nat "King" Cole die werd begeleid door de big band van Stan Kenton. Op de achterkant van deze 78-toerenplaat stond "Yam-Bo" 1), een instrumentaal nummer met een latin ritme. Maar dat was niet wat Appie trof. Het was de bigbandmuziek van Stan Kenton die insloeg als een bom. Hij ging platen kopen en werd lid van de Stan Kenton fanclub. Deze club kwam elke zondagmiddag bijeen in de dansschool van Wim van Beek aan de Van Wouwstraat. Naast het uitwisselen van nieuwtjes en foto's, werd er ook gespeeld. Als het even kon, drumde Appie mee.
Ook de buren mochten van Appie's muzikale ontdekkingen meegenieten. Niet alleen als hij op zolder zat te drummen, maar ook wanneer hij ging platendraaien. In zijn enthousiasme dacht hij namelijk dat iedereen het wel mooi zou vinden. Op die momenten plaatste hij zijn luidspreker in de dakgoot en draaide de versterker helemaal open. Het was toen duidelijk een andere maatschappij. Iedereen liet hem zijn gang gaan en er werd van al die herrie niet veel gezegd.
Toch moet er één buur zijn geweest die weinig met Stan Kenton moet hebben opgehad. Alberto herinnert zich nog levendig dat hij op een keer zijn luidspreker een vreemd tikkend geluid hoorde maken. Na wat onderzoek bleek het 't geluid te zijn van inslaande kogeltjes. Iemand stond er met een luchtbuks op te schieten…
In 1952 kon Appie de schoolbanken definitief verlaten. Als alle jongeren op zijn leeftijd wilde hij de wereld verkennen. Hij tekende voor de Grote Vaart. De eerst reis voerde hem met een schip vol emigranten naar Australië. De tweede reis had Zuid-Amerika als bestemming. De route liep langs de Nederlandse Antillen en Panama, maar veel heeft hij er niet van gezien. Met amper een uur per aanlegplaats, was het onmogelijk de wal te verkennen, laat staan dat hij iets van de muziek kon oppikken. Zijn derde reis maakte hij met een zogenoemd Liberty ship. Het schip raakte midden op de oceaan verzeild in de aanloop van de fatale storm die in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 de Nederlandse kust zou teisteren. Ook het schip bleek niet bestand tegen dit natuurgeweld. De golven solden ermee als ware het een nietig notendopje. De romp kwam onder spanning te staan en even later knapte het dek met een enorme knal letterlijk in tweeën. Achteruitvarend wist het gehavende schip ternauwernood Halifax te bereiken. Voor Alberto was dit alles net iets teveel avontuur. Weer heelhuids terug in Amsterdam zocht hij werk op de wal. Het werd een baantje als reparateur bij Radio Mawi in de Zandstraat, een winkel in elektronica van Stijn Prenger. Door de Amsterdamse typetjes om hem heen beleefde hij er machtig veel plezier. Daarna werkte hij in andere winkels en studeerde voor zijn vakdiploma's. Maar hoe leuk ook, Alberto wilde niet altijd in loondienst blijven werken.
In 1960 begon hij een eigen zaak in elektronica in een hoekpand aan de Roetersstraat. Trots fotografeerde hij zijn eerste etalages. De linker ingericht door Erres, de rechter door concurrent Philips.
Het nachtleven in
Al tijdens zijn studie, maar nu ook in zijn werkzaam leven was Alberto er de man niet naar om na gedane arbeid 's avonds met pantoffeltjes aan een boek te lezen of te mens-erger-je-nieten. Hij was een avondmens. In zijn honger naar muziek dook hij het Amsterdamse uitgaansleven in. Tot diep in de nacht schuimde hij de bars en dancings af. Zo was hij te vinden in de Hollywood in de Leidsestraat. Een dancing waar in de periode 1950-1952 op één en dezelfde avond het combo van Wessel Ilcken, de Ramblers en ook nog eens de Skymasters geprogrammeerd konden staan. Iets verderop in de Leidsestraat, vlakbij het Leidseplein, was De Vliegende Hollander. Daar speelde in die dagen Pia Beck. Daarna ontdekte Alberto in de Wagenstraat de Sheherazade. Daar stond vanaf 1954 "Rita Reys and the Wessel Ilcken Combo" geprogrammeerd. Alberto was natuurlijk van de partij. Als het even kon, zat hij de hele avond naast Wessel. Kijken en leren. Het gebeurde wel eens dat Wessel door omstandigheden pas tegen een uur of elf klaar was om te spelen. Het combo zat dan tot zijn komst zonder drummer.
Omdat Alberto daar iedere avond zat, werd hij gevraagd of hij kon invallen. "Nou, met plezier natuurlijk", aldus een nog steeds glunderende Alberto. "Dus ik speelde dan van acht tot elf en kreeg als beloning van de baas, dat was meneer Vorhauer, een Coca Cola. Ja… Dat was niet gering hoor."
De stapavonden van Alberto werden steevast afgesloten in Casablanca op de Zeedijk. Sinds eind jaren veertig was deze dancing de vaste uitvalsbasis van de Surinaamse Kid Dynamite en zijn orkest. Dit was de plaats waar Alberto voor het eerst indringend werd geconfronteerd met Zuid-Amerikaanse muziek. Net als bij Wessel Ilcken legde hij het aan met drummer Lou Holtuin. Na lang bietsen en bedelen mocht hij een keer in de plaats van Lou een stukje meespelen. Het pakte echter anders uit dan Alberto had verwacht. Kid gaf hem deze kans om eens wat anders te horen. Maar Alberto had dit niet in de gaten en dacht op zijn beurt dat hij precies moest doen wat Lou altijd deed. Hier zat Kid Dynamite niet bepaald op wachten en een herhaling zat er niet in. Toch liet Alberto zich hier niet door ontmoedigen en bleef komen. Daarnaast ging hij één keer per week naar de Boeren Hofstede te Laren. Daar trad in die periode regelmatig Teddy Cotton op die hij nog kende van Casablanca. Door veel tijdgenoten wordt deze Teddy Cotton getypeerd als een personage met veel bravoure en die vooral Louis Armstrong imiteerde. De Hollandse schoonouders van Teddy Cotton waren de uitbaters van café De Bezem aan de Nieuwmarkt. In de jaren '50 werd de zaak door Teddy en zijn vrouw overgenomen en doopten de uitgaansgelegenheid toepasslijk om in "Cotton Club". Ook dit café verwierf binnen de kortste keren faam als ontmoetingsplaats voor zwarte (jazz)musici. Bij Alberto zijn het vooral de eigenaardige wijze waarop Teddy Cotton zijn solo’s speelde en diens spontane humor die hem zijn bijgebleven.
Eind jaren vijftig, het moet volgens hem omstreeks 1958 zijn geweest, bleek op een dag Kid Dynamite met zijn orkest naar Hamburg te zijn vertrokken. Alberto die als altijd naar Casablanca ging, trof tot zijn verrassing een ander orkest. Een orkest zonder drumstel maar met een voor hem onbekend instrument. Het bestond uit een statief met daaraan twee metalen keteltjes links en rechts, de één net een maat groter dan de ander. Zoiets had hij nog nooit gezien. De man die het instrument bespeelde was zo mager als een lat. Alberto vond het bijna griezelig om te zien. Dit optreden werd Alberto's eerste kennismaking met timbales en Steve Boston. Van dat instrument moest hij het zijne weten, en hij papte aan met de bonenstaak.
Onbezoldigd percussionist
Maar het orkest met Steve ging op tournee en ook Casablanca sloot op een gegeven moment haar deuren. Eerder, in 1955, was ook al Max Woiski’s club aan de Leidsestraat verdwenen. De man die in Nederland onsterfelijk was geworden met zijn "BB met R" zette zijn club voort op het Spaanse Mallorca. Zijn zoon, die bekend werd als Max Woiski Jr., bleef in Nederland. Hij startte een eigen club, La Tropicana, op het Rembrandtplein. Omdat hij daar een dansvergunning kon krijgen, verhuisde hij deze begin jaren '60 naar de Leidsedwarsstraat. Het orkest dat hij om zich heen had verzameld, telde onder meer de Surinaamse Raul Burnett op conga’s, Steve Boston op timbales en John "Grunchi" Grünberg voor zang en percussie. Verder was er de Nederlandse bassist Jan Jacobs en pianist Ronald Langstraat, zoon van Laguestra. Alberto ontdekte La Tropicana in '63. "Een gezellige boel daar zeg, niet te kort. Ik was helemaal gefascineerd", aldus een Alberto met pretoogjes. "Voor het eerst werd ik geconfronteerd met Latijns-Amerikaans. Niet eens Afro-Cubaans. Latijns-Amerikaans Caribisch." Woiski Jr. had een duidelijke voorkeur voor calypso. Voor de andere ritmes was slechts een marginale plaats ingeruimd. Maar op momenten dat Woiski Jr. de regie even losliet, veranderde dat. Dan waren het de van Cubaanse muziek bezeten Steve en Grunchi die de stukken omtoverden tot guarachas, montunos en andere traditionele ritmes. Met deze formule was de club enig in zijn soort en werd een begrip. Iedereen die iets met deze muziek had, ontmoette elkaar daar.
Zo kwamen er indertijd Ira Goldwasser en zijn vrouw Harriett Broekman, de latere Dr. en Mrs. Salsa.
Komende uit New York, waren zij goed bekend met de latin scène daar. De muziek in La Tropicana leek er in de verste verten niet op. Maar volgens hen was het hier in Nederland in die tijd, wat je er verder ook van moge vinden, 't beste wat je op dat moment kon krijgen. Daar moest je zijn, daar gebeurde het. Van lieverlee werd La Tropicana vaste aanlegplaats voor Alberto's nachtelijke escapades. Als indertijd met Wessel Ilcken en Kid Dynamite, belegerde Alberto de percussionisten. In het bijzonder Steve Boston met die fascinerende timbales. Zijn handen jeukten en wilde het ook eens proberen. Na enig aandringen mocht hij dat inderdaad. Het viel in de smaak en al gauw mocht hij iedere avond meespelen. "Ik was, laten wij zeggen, toegevoegd, onbezoldigd. Dus ik was geen officieel lid van het orkest", relativeert Alberto zijn rol daar op het podium. Alberto zal je dus niet aantreffen op de albums die Woiski Jr. in die tijd heeft opgenomen. Die albums maakte hij met het officiële orkest.
De dingen die zouden komen, blijkt een verhaal van alle tijden. Naast hun vaste engagement waren de meeste leden van het orkest ook aan het freelancen. Met name Steve Boston had naam en faam verworven en raakte bij talloze projecten betrokken. Als de muziek zich ervoor leende werden ook Grunchi en Alberto erbij gehaald. Vandaar was het nog maar een kleine stap naar een uniek concept: het op de markt aanbieden van een complete latin ritmesectie. Ze waren goed en hun concept bleek in een behoefte te voorzien. Iedereen die iets met deze muziek wilde doen, klopte bij hen aan. Een willekeurig voorbeeld uit de lange lijst opdrachten waaraan zij als ingehuurde ritmesectie hun medewerking hebben verleend: de opnames uit 1968 met de Golden Earring. Het driemanschap blijkt verantwoordelijk te zijn geweest voor de percussiebegeleiding bij het nummer "Dong dong diki digi dong" (Polydor 1277), de eerste nummer 1 hit voor de nog jeugdige Earring. Wellicht was het 't succes van de samenwerking en het freelancen, dat maakte dat de verhouding met Max Woiski Jr. op scherp konden worden gezet. Feit is dat na een verandering van werktijden de muzikanten een evenredige verhoging van hun gage eisten. Hun eis werd niet gehonoreerd en niet lang daarna barstte de bom.
Ritmo Natural
In het boek "Surinaamse muziek in Nederland en Suriname" (red. Marcel Weltak, pag. 109-110) worden de daarop volgende gebeurtenissen als volgt omschreven: "Het is de ritmesectie van Max Woiski Jr., Ritmo Natural, die zich na een zakelijk conflict met Max Woiski Jr., aanbiedt bij Hans Dulfer. Hij maakt met hem enkele platen." Uit het verhaal van Alberto de Hond blijkt met name dat aanbieden net enkele nuances anders te liggen. Die ritmesectie bestond indertijd uit Steve Boston op timbales, Grunchi voor zang en conga’s, Jan Jacobs op bass en Ronald Langstraat op piano. Begin '69 besloten zij bij Woiski Jr. weg te gaan. Na zoveel jaar hielden zij het daar voor gezien.
De deserteurs werden de body van Carl Schulze's Latin Sextet. Alberto behoorde wat hen betreft tot het meubilair en vroegen hem om zich bij hen aan te sluiten. Op drums wel te verstaan. Het sextet, dat vooral latin jazz speelde in de stijl van Cal Tjader, was die zomer voor het grote publiek te horen tijdens het Hammerveld Jazz Roermond festival. Het groepje was wat onbestemd en moest duidelijk zijn vorm nog krijgen. In het verlengde daarvan wisselde het gezelschap verschillende keren van naam. Zo heette het enige tijd Combo Sensación.
Dat alles veranderde nadat de ritmesectie van de bekende impresario Lou van Rees een engagement kreeg voor maar liefst drie maanden achtereen in La Bonanza. Indertijd een bekende uitgaansgelegenheid in de Rotterdamse Van Speijkstraat van Lou Hidalgo. Opnieuw veranderden zij van naam. Op voorstel van Grunchi maten zij zich de naam "Ritmo Natural" aan en gingen aan de slag. Het werd een periode die Alberto zich nog lang zou heugen door de avonden waarbij zij van negen tot drie moesten spelen. Er was heel de avond slechts één enkele pauze. Dan werd er een elpee opgezet en wanneer deze na pakweg een kwartier was afgelopen, moesten de muzikanten weer terug het podium op. In het holst van de nacht moesten zij elke avond weer terug naar Amsterdam. Het was hartje winter met veel sneeuw en ijs op de weg. Alles bij elkaar was het erg intensief en vergde veel van de mannen. Gelukkig deden zich geen ongelukken voor en de opdracht werd volbracht.
Na het geploeter met La Bonanza kwam opeens Hans Dulfer in het spel. Zijn toenadering kwam niet helemaal uit de lucht vallen. Steven Boston had al een tijd met deze free-jazz saxofonist en de kring muzikanten om hem heen samengewerkt. Dat was tijdens de bijzondere woensdagavondsessies die Dulfer eind jaren zestig in het Amsterdamse Paradiso organiseerde.
Ook speelden zij in die tijd samen in Soulbrass Inc. Ze waren geen onbekenden voor elkaar en Dulfer wist als geen ander waar Steve Boston en Ritmo Natural voor stond. Over zijn experiment met Ritmo Natural vertelt Hans Dulfer aan Jacques Los: "Ik merkte dat op die avant-garde jazz weinig mensen afkwamen. Leuk vond ik dat niet. Het liefst speel ik voor veel mensen. Je begrijpt, ik wilde beroemd worden! Ik had toen al het idee om die hedendaagse jazz op een andere manier te spelen. Met een soort latin of Afrikaanse achtergrond en zo kwam ik terecht bij de ritmesectie van Max Woiski. Dat werd dus jazzy wereldmuziek en het begin van de Perikels. Ik had allerlei nationaliteiten in de band: Antillianen, Marokkanen, Syriërs en Israëliërs. Het was een grote groep en ik kon lekker over de begeleiding heen spelen en improviseren, gieren en piepen. En heel Amsterdam ging uit zijn dak. Ik werd overal gevraagd, het was modern en toch leuk.
Er zijn in die tijd drie platen gemaakt waarvan "Red Red Libanon" nog een redelijke hit is geweest." (2) Die "redelijke hit" van Hans Dulfer met "Red Libanon" bestond daaruit dat de single op 10 oktober 1970 een tipnotering voor de Nederlandse hitparade kreeg. Maar daar het bleef bij; het nummer kwam niet verder. Zeven jaar na dato kreeg het nummer in een uitvoering met de Perikels opnieuw een tipnotering. Maar net als bij de eerste single bleef het bij deze enkele notering.
Met het geciteerde verhaal van Hans Dulfer wordt met zevenmijlslaarzen door een passage latin muziekgeschiedenis gestapt die het waard is om nader onder de loep te nemen. Over hoe dit indertijd precies in zijn werk is gegaan, vertelt Alberto: "Op een gegeven moment werden wij gevraagd, ik weet niet meer hoe en wat, waarom of door wie. Wij speelden met het combo, dus met het orkest wat daar met Woiski speelde, mezelf inbegrepen en Carl Schulze op vibrafoon d'r nog bij. Wij werden gevraagd om in Paradiso te spelen. Nou, wat moet in die tijd een Caribisch orkest in Paradiso doen? Dat waren toen jazz-avonden die door Hans Dulfer werden georganiseerd. Nou, wij gingen daar spelen en deden gewoon ons eigen ding. In het programma van die avond speelden ook de Free Jazz Boys: Willem van Maanen, Willem Breuker, Hans Dulfer, Han Bennink en Maarten van Regteren Altena. Dat waren de progressieve jongens. Dus wij speelden en die kerels werden daar zo door gegrepen dat zij gingen meespelen. Zij begonnen daar doorheen te scheuren en doorheen te toeteren met de hele bedoeling de boel te ontregelen. Want dat was de hele achtergrond van hun muziek. Het was een soort protest. Maar er viel niets te ontregelen want wij stonden als een rots. Dus zoals wij begonnen, zo eindigden wij ook. Na afloop van dat concert vroeg Hans ons of we met hem wilden gaan spelen. Ik vroeg nog: "ja, maar wat moeten wij gaan doen?" Hij antwoordde: "Ik vind het zo mooi om tegen een muur van ritme aan te blazen die niet omver valt te raggen."
Nog in datzelfde jaar won Hans Dulfer de Wessel Ilcken-prijs en kreeg een televisie-uitzending aangeboden. Dit programma bracht Hans Dulfer samen met Ritmo Natural in Nederlandse huiskamers.
De samenwerking met Hans Dulfer heeft alles bij elkaar zo'n drie jaar geduurd. Uit het verhaal van Hans Dulfer zou je kunnen opmaken dat zijn latere Perikels uit Ritmo Natural zijn voortgekomen. Ook het verhaal van Franky Douglas, gitarist bij de latere Perikels van Hans Dulfer, duidt in deze richting. "Zo ontstond de formatie Hans Dulfer en Ritmo Natural: een eerste stap in de goede richting - die van "totale vrijheid van spelen op een vast ritme". Toen Dulfer naar uitbreiding zocht, stuitte hij op Solat - zangeres Lilian Jackson (later van Spargo) was er inmiddels bijgekomen, en Mildred Douglas ook. Solat en Ritmo Natural gingen vanzelf in elkaar overlopen, en zo kreeg Hans Dulfer uiteindelijk zijn Perikels." (3) Wellicht dat de artistieke evolutie van Hans Dulfer zo is verlopen, maar volgens Alberto de Hond was de overgang van Ritmo Natural naar de Perikels zeker niet glijdend. Zij en de muzikanten van Solat hebben nimmer met elkaar gespeeld. Even impulsief als de samenwerking was ontstaan, werd deze door Dulfer beëindigd.
In de beleving van Alberto was Dulfer niet iemand die zich ergens aan bond; de mensen waarmee hij speelde, moesten hem een kick geven. Zodra dat over was, sloot hij het hoofdstuk af en ging op zoek naar nieuwe inspiratie. Bij hem was er geen plaats voor een vriendschap en solidariteit zoals die tussen de leden van Ritmo Natural bestond. Alberto raakte als eerste met Dulfer gebrouilleerd. Bij de opnames voor "El Saxofón", oktober '71, was hij al niet meer van de partij. Steve en Grunchi nog wel. Deze trokken echter partij voor Alberto en beëindigden kort na die opnamen de samenwerking met Dulfer. Deze breuk met Dulfer betekende niet het einde van Ritmo Natural. In tegendeel. De ritmesectie was door het succes in trek geraakt. De mannen werden gevraagd om andere artiesten te ondersteunen waaronder Wim Overgauw, Eddie Engels, Jan Huydts, Dick en Jan Vennik, Cees Schrama, Gijs Hendriks en Theo Loevendie. Ook was er het nodige studiowerk. Het einde kwam toen Grunchi het plan opgevatte om terug te gaan naar Suriname. Als zanger voor op het podium en met zijn conga’s was hij binnen de groep de grote aanjager. Na zijn vertrek viel daarom alles uit elkaar. Hiermee kwam een einde aan een orkest dat vermoedelijk aanspraak kan maken op het zijn van één van de eersten die latin muziek in een meer authentieke stijl speelde. Een stijl die het grote publiek nog niet had bereikt. Wat hen bezielde? Geheel in de tijdgeest passend, was het een onbestemde mengelmoes van bevlogenheid en zich tegendraads afzetten tegen de gevestigde orde. "Malando met zijn rumba orkest speelde weliswaar latin, maar zij waren vanuit ons standpunt bekeken de commerciëlen. Wij hadden een meer puristisch standpunt." Hoe je hun stijl ook zou willen duiden, zonder het zich op dat moment bewust te zijn, plaveiden zij de weg voor een nieuw muziekgenre.
Salsa in Amsterdam
De latin muziek die Ritmo Natural speelde, werd in New York omstreeks 1974 gelabeld als "salsa". Daarvoor werd het veelal aangeduid met de verzamelterm “Música Tropical”. Een slimme commerciële zet om oude wijn in nieuwe zakken te kunnen verkopen. Het was in wezen niet meer dan een eigentijdse doorgroei van vooral oude traditionele Cubaanse ritmes binnen de Puertoricaanse gemeenschap in New York. Daar beleefde het genre midden jaren zeventig haar hoogtepunt. Ver weg van dat alles, in Europa, leek Amsterdam op dat moment te zijn bevolkt met Provo's, Dolle Mina's en Kabouters. Het vrijgevochten imago van deze stad werkte als een magneet op avonturiers, vluchtelingen en wereldburgers. Tussen hen bevond zich ook een aantal latino-muzikanten. Het is daarom niet verwonderlijk dat midden jaren zeventig juist daar een orkest opduikt onder leiding van zanger Nevelton Butler. Hun eerste optreden vond plaats in De Kroeg aan de Lijnbaansgracht. In die tijd een groezelige jazzclub die langzamerhand richting latin begon te buigen. Het begon allemaal doordat deze Nevelton Butler een engagement had geregeld maar zelf nog geen orkest had.
Geen nood; hij huurde Ritmo Natural en maakte een schitterende entree. Al snel volgde een tweede optreden. Een optreden zonder Alberto de Hond en Ritmo Natural, maar met een groepje muzikanten dat zich tooide met de naam "Salsa de Amsterdam". Daarmee waren zij vermoedelijk het eerste orkest in Nederland dat het woord "Salsa" in haar naam had gevlochten en zijn muziek met deze genreaanduiding aan de man bracht.
Alberto bleef in de latin voorhoede van Nederland spelen. Niet specifiek salsa, maar allerhande Caribische ritmes. De hausse rond de bossanova in de jaren zestig was hem niet voorbij gegaan.
De vonk sloeg over na een bezoek aan een concert van Elis Regina met Jair Rodrigues en het thuis nog eens beluisteren van hun album "Dois Na Bossa" (Companhia Brasileira de Discos P 632 765 L, 1965).
Ook calypso en bigi pokoe had zijn belangstelling. Eind jaren '70 treffen wij hem opnieuw in gezelschap van een aantal van zijn oude makkers van Ritmo Natural. In die jaren speelden zij allen in Sonora Paramarera, een formatie opgericht door onder andere Roy Chin-A-Pow.
Het was de periode dat Celia Cruz met het orkest van Pete "Conde" Rodríguez haar eerste concertreeks in Nederland gaf. Sonora Paramarera was het voorprogramma. Van 3 tot 6 november 1978 stonden zij achtereenvolgens in het Concertgebouw in Den Haag, het Turfschip in Breda, Musis Sacrum in Arnhem en tenslotte een afsluitend concert in de Jaap Edenhal te Amsterdam.
Zeker na het tweetal uiterst succesvolle concertreeksen van Tito Puente het jaar daarop brak de salsa definitief in Nederland door. In de Stadsgehoorzaal van Leiden werd op 18 mei 1980 het "1e Holland Salsa Festival" gehouden. Het programma bestond uit optredens van alweer Sonora Paramarera en nog een aantal andere orkesten.
Speciale attractie tijdens het festival: een als een feniks uit haar as herrezen "Ritmo Natural '79". Bij deze gelegenheid bestond het orkest uit Alberto op timbales, Jan Laurens Hartong op piano, Henk Haverhoek op bas; Koos v.d. Sluis op buegel, Klaas Wit op bas buegel en tenslotte Steve Boston op conga’s.
Toch waren deze spectaculaire optredens wat betreft Sonora Paramarera een zwanenzang. In de loop van de tijd hadden veel leden van het eerste uur om allerlei redenen afgehaakt. Het nieuwe bloed deed het orkest van karakter veranderen en maakte dat ook de laatste van de oude garde het voor gezien hield. Na een vergadering besloot de nieuwe lichting door te gaan. De vacante plaatsen werden ingevuld, Alberto de Hond nam samen met Ober Hewitt de leiding en het aldus vernieuwde orkest kreeg de naam "Orchestra Sonora". Het orkest was vooral in de jaren '80 actief en voerde een breed repertoire.
Van salsa tot samba en van calypso tot cumbia. Alberto's oriëntatie was breed en de Braziliaanse genres waren hem net zo lief als de Cubaanse. Vanwege die brede oriëntatie hebben talloze artiesten van naam met hen opgetreden. Enkele in het oog springende namen zijn die van Josee Koning, Thérèse Steinmetz, Denise Jannah en Maria de Castro.
Vragen
Maar nog even terug naar 1969. Het werk met Ritmo Natural voedde Alberto's honger naar kennis over de Caribische muziek en instrumenten. Een honger die Steve, Grunchi en de andere muzikanten om hem heen niet echt konden stillen. Alberto besefte dat de antwoorden die hij zocht, niet in Nederland waren te vinden. Het geld dat hij met de optredens in La Bonanza verdiende, is hij daarom opzij gaan leggen. Na de drie Bonanzamaanden en het optreden in Paradiso, zag hij in de krant een advertentie van de Bijenkorf. Dit eerbiedwaardige warenhuis organiseerde in die dagen een 16-daagse reis naar New York. Bij Alberto ging een lichtje branden. Dit was de plaats waar hij antwoorden moest kunnen vinden. Hij boekte de reis en in New York aangekomen, spoedde hij zich naar 46th Street waar de winkel was van Henry Adler. Hij was aan dit adres gekomen vanwege het door deze Henry Adler uitgegeven boek: "Humberto Morales' Latin-American Rhythm Instruments and how to play them" (Henry Adler Inc., 1958). In de winkel aangekomen vroeg Alberto om lessen voor timbales. Henry Adler vertelde dat hij kon bemiddelen bij twee leraren en noemde hun namen. De eerste, Chino Pozo, zei Alberto op dat moment niets. De andere naam, Ubaldo Nieto, deed wel een belletje rinkelen. Niet dat Alberto hem linkte aan het orkest van Machito waarmee deze timbalero jaren had gespeeld, maar vanwege het feit dat deze percussionist een supplement had geschreven over latin ritmes en speeltechnieken in dat bewuste boek van Humberto Morales. De keuze was snel gemaakt. Henry Adler legde het contact en de volgende dag spoedde Alberto zich met de metro naar het opgegeven adres in de Bronx. Daar op het adres Concord Avenue 434 moest het gaan gebeuren. Het zal indertijd best wel indruk hebben gemaakt dat iemand helemaal uit Europa kwam om les te komen nemen, maar het werd opgepakt alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Midden in de kamer stond een set timbales opgesteld en Alberto moest tonen wat hij kon. Uiteraard wilde Alberto zijn beste beentje voorzetten. Hij pakte uit met een chachacha zoals hij die had geleerd in de Tropicana. Maar na amper twee maten te hebben gespeeld, verzocht Ubaldo hem te stoppen. Hij had het al gehoord. Het leek er niet op. Alberto moest terug naar af en helemaal opnieuw beginnen. Die eerste keer kreeg Alberto zo veel nieuwe dingen voorgeschoteld, dat hij zelf begon te twijfelen of hij er nog wel uit zou komen. Met de linkerhand clave spelen en met de rechterhand weer een ander patroon. "Daar bij Uba kreeg ik het niet voor elkaar die eerste dag. Ik had het wel in mijn hoofd zitten, maar ik kon het nog niet met mijn handen doen. Dus op de terugweg in de metro zat ik die ritmes te oefenen. De passagiers moeten hebben gedacht dat ik niet goed bij mijn hoofd was. Ik zat daar maar met mijn handen…. Ha, ha… Maar op een gegeven moment had ik het door.
De volgende dag speelde ik precies wat hij bedoelde." Alberto glom van trots. Tot aan de laatste dag van zijn vakantie kwam Alberto elke middag terug. Van de lessen nam hij cassettebandjes op en nam foto's om het later thuis nog eens op zich te laten inwerken. Natuurlijk wilde Alberto ook het echte werk meemaken. Ubaldo tipte hem voor de clubs die hij moest bezoeken en 's avonds ging Alberto op pad. Hij kwam terecht in clubs zoals de Corso en de Caborojeño. In die laatste club speelde het orkest van Tito Puente met La Lupe. Natuurlijk kende hij hun platen. Maar zo'n orkest live meemaken, was andere koek. De vragen waarvoor hij de hele reis had ondernomen, hadden die dagen hun beantwoording wel gekregen. Maar hij had meer gekregen. Overweldigd door alles wat hij daar had gezien en gehoord veranderde zijn kijk op deze muziek van voorliefde in grote liefde. Dit was de richting waarin hij verder wou gaan. Op de terugweg ging Alberto nog even bij Henry Dalers winkel langs.
Zo veel als de bagagevoorschriften het toelieten, kocht hij instrumenten in. Zo mooi had hij ze niet eerder gezien en kocht van alles wat. Van gyros en bongo’s tot koebellen en shekeres.
Import en export
Terug in Nederland toonde Alberto zijn schatten aan zijn vrienden. Die stonden ervan te kwijlen en iedereen vroeg of hij ze wou verkopen. Dat was hij niet bepaald van plan, maar het deed hem wel beseffen dat er voor deze instrumenten in Europa een markt bestond. In Nederland waren op dat moment alleen instrumenten van het uit Frankrijk afkomstige merk "Asba" te koop. Instrumenten die in kwalitatief opzicht niet konden tippen aan die van Latin Percussion die hij had meegenomen. Alberto rook handel. Hij begon brieven te sturen naar Henry Adler om achter het adres van de fabriek te komen. Deze liet taal noch teken van zich horen. Alberto was niet voor één gat te vangen en zocht contact met Johnny Pacheco, één van de vele artiesten waarmee hij die twee weken in New York persoonlijk kennis had gemaakt. Het duurde eventjes, maar uiteindelijk kwam er toch post uit Amerika. Johnny bleek de brief te hebben doorgegeven aan Martin Cohen, de eigenaar van Latin Percussion. Die zag het wel zitten om Europa als afzetgebied erbij te krijgen en al snel werden de zaken beklonken.
Aldus werd Alberto in 1970 vertegenwoordiger van Latin Percussion. Zeker in de beginperiode kon Alberto niet altijd op begrip rekenen. Buiten een betrekkelijk kleine kring muzikanten waren de instrumenten vrijwel onbekend. Bijgevolg was er ook geen vraag naar. Geregeld werd Alberto geconfronteerd met de opmerking dat het enige Nederlandse orkest met Zuid-Amerikaanse muziek dat van Malando was, en dat diens muzikanten al van instrumenten waren voorzien. Maar Alberto liet zich niet afschepen. Binnen de kortste keren ontplooide hij allerhande initiatieven om de instrumenten te promoten. In zijn winkel in elektronica werd een hoek ingericht om de instrumenten tentoon te stellen. Hij maakte reclame en toonde de instrumenten op beurzen. Eerst alleen in Nederland, maar later ook op de internationale muziekbeurs in Frankfurt. Jaarlijks ging hij naar New York en besprak daar nieuwe ideeën voor verdere verbetering van de promotie. Zo liet hij Martin Cohen op een keer de bandjes horen die hij had gemaakt van de lessen van Ubaldo Nieto. "Om dit soort instrumenten in Europa te kunnen verkopen, zouden de mensen op z'n minst moeten weten hoe je erop moet spelen.
Martin zou eigenlijk instructie-lp's moeten uitbrengen…" Volgens Alberto werd het idee meteen weggewuifd. Desalniettemin verschenen in 1974 de eerste instructie-albums van een kersvers "Latin Percussion Ventures".
Het zijn albums waaraan een keur aan percussionisten meewerkte, waaronder Carlos "Patato" Valdez en José Mangual Sr. De albums hadden sprekende titels zoals "Understanding Latin Rhythms" (deel 1 en 2) en "Drum solo's" (deel 1,2 en 3). Later werden ook albums rond de topartiesten geproduceerd wat titels opleverde zoals "Patato and his LP friends" en "Ready for Freddy".
Hoewel Martin Cohen het nooit heeft toegegeven, staat het voor Alberto de Hond als een paal boven water dat het zijn idee is geweest.
Latin invasie
Op aanraden van Alberto ging Martin Cohen nóg een stap verder en stuurde een all stars formatie van percussionisten naar Europa. Het was Alberto in eerste aanleg te doen om demonstraties en workshops. Dat zou hier een novum zijn. Er bestond immers op dat moment in Nederland geen opleiding voor deze muziek met bijbehorende instrumenten. Martin had er eerst een tijd diep over lopen nadenken. Uiteindelijk belde hij Alberto dat hij er wel oren naar had. Hij had inmiddels een groep samengesteld bestaande uit Tito Puente op timbales, Patato Valdez op conga’s, Johnny Rodríguez op bongo’s, Eddie Martínez op piano en Sal Cuevas op bass. Maar dit gezelschap was te duur om alleen voor een aantal demonstraties te laten overvliegen. Er moesten daarom ook concerten worden gegeven, waarmee de kosten konden worden terugverdiend. Nooit eerder had Alberto zoiets om handen gehad. Hij liet zich niet kennen en ging aan de slag. Na drie maanden voorbereiding had hij een zestal concerten weten te boeken voor dit "Latin Percussion Jazz Ensemble". Alles in de maanden mei en juni van 1979, inclusief de nodige workshops en een uitzending voor de Nederlandse radio in AVRO's Jazz Spectrum.
Martin Cohen met zijn vrouw reisden mee om het hele spektakel van nabij mee te maken. Maar zo op elkaars lip zitten, gaf onderling de nodige wrijvingen. Met name tussen Patato en Martin Cohen waren er spanningen. Volgens Alberto was dat het gevolg van de betuttelende houding van Martin richting Patato. Het liep op tot een knallende ruzie tussen de twee nadat bleek dat voor alle artiesten promotiemateriaal was meegenomen maar uitgerekend het materiaal voor Patato was vergeten. In plaats daarvan had Martin posters meegenomen van Tata Güines, een artiest die kort daarvoor "endorser" van Latin Percussion was geworden. (Een endorser was een artiest die toestond dat zijn naam voor dat merk voor reclamedoeleinden werd gebruikt. Veelal kregen zij als tegenprestatie gratis instrumenten.) Maar ondanks wat er allemaal achter de schermen gebeurde, waren de optredens naar buiten toe een doorslaand succes. Ook de artiesten hadden er schik in en vroegen Alberto nog een tournee te organiseren. Opnieuw begaf Alberto zich in het theatercircuit en kwam met nog betere boekingen uit de bus. Met wat kleine personele wisselingen - Andy González was in de plaats gekomen van Sal Cuevas en violist Alfredo de la Fé was aan het gezelschap toegevoegd - kwam het gezelschap in november dat jaar opnieuw naar Nederland. Zij waren niet alleen tijdens grote concerten te horen, maar ook op de radio in het in jazzkringen populaire programma Sesjun. Daarnaast werden er workshops verzorgd in de conservatoria van Hilversum en Rotterdam. Deze tweede concertreeks overtrof de eerste. Het lag voor de hand om ermee door te gaan, maar een vervolg bleef uit. Althans onder de vlag van Latin Percussion.
Gecontracteerd door Paul Acket maakte Tito op 11 juli 1980 zijn debuut op het 5e North Sea Jazzfestival als "Tito Puente and the Latin Jazz Ensemble". De naamsverandering van het gezelschap en de afwezigheid van Patato is aanleiding geweest voor tal van speculaties. Een hardnekkig de ronde doend verhaal is dat Tito door er zijn naam voor te plakken zoveel eer naar zichzelf had toegetrokken, dat het voor Patato niet meer te verteren was en het tussen hem en Tito tot een breuk is gekomen. Maar volgens Alberto, die er met zijn neus bovenop had gezeten, is hier niets van waar. Volgens hem wilden Tito en Patato door allerlei grotere en kleinere onenigheden niet meer met Martin Cohen samenwerken. Voor optredens wel te verstaan. Dat Patato niet meekwam, was omdat hij op dat moment andere verplichtingen had.
Feit was dat Martin Cohen in die dagen geen Latin Percussion Ensemble meer kon aanbieden met Tito Puente en Patato in de gelederen. Desondanks wilde Martin Cohen doorgaan, en hij schoof artiesten naar voren zoals timbalero Nicky Marrero en pianist Ricardo Marrero. Artiesten van naam, maar bij het grote publiek onbekend. Alberto slaagde er daarom niet in voor dit gezelschap aantrekkelijke concerten te boeken en zowel Alberto de Hond als Martin Cohen lieten het project overwaaien. De ware toedracht van al deze gebeurtenissen valt moeilijk te reconstrueren. Het is bekend dat 1979 voor Tito Puente een bewogen jaar is geweest. Binnen de New Yorkse salsascene werd Tito inmiddels tot de oudere garde gerekend die op het punt stond te worden overvleugeld door de jongere garde. Maar Tito had het jaar daarvoor het album "Homenaje a Beny" opgenomen (Tico Records JMTS-1425). Een album waarvoor hij in 1979 zijn eerste Grammy kreeg toegekend. Deze onderscheiding, samen met het inzicht dat hij de centrale ster was waar het met het Latin Percussion Jazz Ensemble bij de Europese en Japanse tournees allemaal om draaide, deden hem beseffen dat hij nog lang niet naar het tweede plan was gerangeerd. In tegendeel. Zijn naam bleek internationale marketingwaarde te hebben en de vlag van Latin Percussion had hij helemaal niet nodig.
Dat Tito dit gegeven zakelijk volledig zou benutten, hadden de kwesties rond top billing in het verleden wel bewezen. Na het Tito Puente-avontuur haalde Alberto nog het Conjunto Libre van Manny Oquendo en Andy González naar Nederland en ook Ray Barretto met zijn orkest. Toch heeft hij het bij een beperkt aantal van dit soort projecten gelaten. Het gaf veel werk en de financiële risico's waren groot. Het oorspronkelijke doel waarvoor ze naar Nederland waren gehaald, de promotie van de muziek en de instrumenten, was eigenlijk toch al bereikt. Gerenommeerde artiestenbureaus begonnen deze artiesten ook te vertegenwoordigen en elk zichzelf respecterend festival zorgde wel voor programmering van een latin-act. Alle promotie had zijn uitwerking dus niet gemist. Alberto's zaak in elektronica was van lieverlee veranderd in een groothandel in muziekinstrumenten met zowel import als een eigen productenlijn, salesmanagers enzovoorts. De instrumenten vonden overal hun weg, niet alleen in Nederland, maar ook in België, Luxemburg en de rest van Europa.
Supercussion
Naast import van onder meer Latin Percussion, voerde Alberto ook eigen merken: Supercussion en Leo Percussion. Supercussion opereerde in het klasse A-segment. Leo Percussion was bedoeld voor muzikanten met een kleine beurs. In oorsprong waren het merken voor alleen Braziliaanse muziekinstrumenten. Deze waren toen nog amper in het assortiment van Latin Percussion opgenomen en de merken vulden elkaar goed aan. Maar al snel werden toch ook de catalogi van Supercussion en Leo Percussion uitgebreid met Cubaanse instrumenten en omgekeerd die van Latin Percussion met allerlei Braziliaanse.
Die voor Supercussion waren merkloos door Latin Percussion geleverde instrumenten. Ook de opzet van de catalogi van beide topmerken groeide naar elkaar toe. Beiden lardeerden ze rijkelijk met statiefoto's van hun endorsers. Zo prijkten in de laatste catalogus van Supercussion de portretten van onder meer Mongo Santamaría, Nicky Marrero, Ray Barretto, Franky Malabe, Eddie Palmieri, Gonzalo Rubalcaba, Arturo Sandoval, Irakere, Juan Formell (Los Van Van), Airto Moreira en Tania María. De samenwerking tussen Martin Cohen en Alberto de Hond heeft uiteindelijk achttien jaar geduurd. Maar als in een huwelijk, speelden er door de tijd heen allerlei grotere en kleinere conflicten. Alberto bracht ideeën, deed voorbereidend werk en lobbyde voor prospects. Maar de erkenning voor dat alles bleef uit en deed de spanning tussen de twee alsmaar oplopen. In 1988 kwam het tot een breuk. Levering van merkloze instrumenten via Latin Percussion was niet meer mogelijk. Vanaf dat moment is Alberto zijn Cubaanse instrumentenlijn zelf gaan vervaardigen. Niet in Cuba of de VS, maar uit betere houtsoorten in Azië en Brazilië. Alberto ging ook zelf instrumenten ontwerpen. Zo lanceerde hij een geavanceerde koebel, een instrument waarmee hij altijd al iets heeft gehad. In de beginjaren van zijn latin avontuur stroopte hij het Spaanse platteland af op zoek naar oude koebellen die hij als instrument kon gebruiken.
De indertijd speciaal voor latin muziek vervaardigde exemplaren van het Franse "Asba" konden hem namelijk niet bekoren. Ze klonken voor geen meter en hij moest ze afplakken om ze enigszins op klank te krijgen. De bellen van Latin Percussion waren een hele verbetering. Maar zijn eigen ontwerp was nog verfijnder.
Besluit
Hij speelde in de eerste salsabands van Nederland, profileerde zich als één van de eerste importeurs van Cubaanse instrumenten in Nederland en haalde tenslotte ook nog eens als één der eersten New Yorkse topartiesten naar Nederland. Zo hebben Alberto's activiteiten veel bijgedragen aan de vorming van de salsascene in Nederland. Illustratief is dat Alberto nog in 1969 naar New York moest vliegen om onderricht te krijgen in Latijns-Amerikaanse percussietechnieken.
Tijdens de door Alberto georganiseerde tournees van Tito Puente uit 1979, verzorgden Tito en zijn orkest een aantal gastdocentschappen aan het Hilversums en het Rotterdams conservatorium. Er was toen nog geen leergang wereldmuziek. Deze workshops toonden onomstotelijk de behoefte aan zo'n leergang aan, en niet lang daarna kregen Steve Boston en Jan Laurens Hartong ruimte om aan deze conservatoria zo'n leergang op te zetten. Niet toevallig speelden deze beide heren precies die periode samen met Alberto in Ritmo Natural '79.Nadien is de salsa haar eigen weg gegaan.
Alberto is een andere gegaan. Zijn vertrouwde winkel in de Roetersstraat is niet meer. De merken Supercussion en Leo Percussion zijn in andere handen overgegaan. Ook Orchestra Sonora is niet meer. Maar Alberto leeft nog steeds voor de Caribische muziek. Bij allerlei gelegenheden speelt hij nog mee.
Niet specifiek salsa, maar latin-jazz en een breed scala aan Caribische ritmes. Zo ondersteunt hij al bijna drie jaar achtereen Leslie Lopez bij de workshops die deze bassist voor Crea verzorgt. Via internet communiceert hij dagelijks over de hele wereld met zijn rijke muzikale kennissenkring. Grote aardigheid beleeft hij aan het digitaliseren en op cd branden van zijn rijke verzameling cassettes. Het betreffen vaak unieke registraties van allerlei optredens en sessies met orkesten en formaties waarmee hij de afgelopen 35 jaar heeft gespeeld, en die zo voor een breder publiek toegankelijk worden gemaakt. De latin muziek heeft zijn leven getekend, maar omgekeerd geldt hetzelfde, dat wil zeggen dat Alberto ook de muziek heeft getekend. |